Er moet wel iets te schieten blijven

Wie zich verdiept in de vos – vulpes vulpes – leert dat dit dier in principe solitair leeft en weinig soortgenoten verdraagt in zijn (jacht-)territorium. Jongen moeten vertrekken als ze geslachtsrijp zijn en hun eigen territorium zoeken. Vinden ze dit niet, dan worden ze door soortgenoten gedood – of sterven van honger, stress of ziekte.

Vossen die overlijden en een territorium achterlaten, worden snel opgevolgd door een soortgenoot. Oftewel: de natuur heeft dit prima geregeld: er worden zoveel vossen geboren als een (voedsel)gebied toelaat.

De onafgebroken jacht op vossen leidt er uitsluitend toe ze steeds grotere nesten krijgen; er leeft geen vos ouder dan vier jaar. Nu staat de provincie Friesland toe om ook nachts vossen te bejagen in beschermde weidevogelgebieden, met lichtbakken. Afgezien van wat dit voor de broedende vogels betekent, zou de provincie beter moeten weten. Predatie van weidevogels door vossen is verwaarloosbaar ten opzichte van het menselijk handelen (industriële landbouw, vroeg maaien en grondwaterpeilverlaging) dat de weidevogelstand gigantisch bedreigt. Ook de groei van aantallen ganzen is hier een gevolg van. Zolang politici hun oren laten hangen naar de mening van mensen die uitmoorden als oplossing zien voor elk probleem in de natuur, duwen ze diezelfde natuur alleen dichter naar de afgrond.

Jagers weten best dat hun ingrijpen in het ecosysteem uitsluitend tot gevolg heeft dat soorten meer nakomelingen krijgen. Want er is ruimte en er is voedsel. Als jagers stoppen met jagen, kan er tijdelijk een vermeerdering van dieren zijn, maar de natuur lost dat zelf op. Wij kunnen enige ‘overlast’ van wilde dieren toch wel accepteren? Zij moeten -veel meer- overlast van ons ook accepteren. Wat is er op tegen om in bosrijke gebieden de maximumsnelheid te verlagen? Dan rijd je 60 km in plaats van 100 km. Gun die dieren ook hun leven!

Als wij iedere confrontatie met wilde dieren willen voorkomen, dan zullen we ze wereldwijd moeten uitroeien – helaas zijn we daarin al op grote schaal geslaagd. Het uitsterven van diersoorten is op aarde nog nooit zo snel gegaan.

Wilde dieren in Nederland hebben weinig ruimte en vrijheid, overal zijn mensen. De meeste jagers worden voornamelijk door ‘hobbybeheer’ gemotiveerd. Voor hen niets spannender dan het omleggen van een slimme vos. Daarom ook ‘redden’ jagers reekalfjes uit maisvelden voordat de hakselaar komt, daarom leggen ze voer voor wild neer in barre tijden.

Er moet wel iets te schieten blijven.

Annemarie van Gelder

Sprookjes

Over de Zwarte Pietendiscussie voel ik enige plaatsvervangende schaamte. Waar GAAT dit over? De herkomst van de hulpjes van de Sint is onduidelijk en ook hun aantal en uiterlijk zijn dikwijls veranderd de laatste eeuwen. Als het medemensen kwetst dat de huidige Pieten zwart zijn, dan doen we toch andere kleurtjes? Kinderen die nu klein zijn, weten niet beter.
Wat ik raar vind in deze hele ‘discussie’ is dat niemand het sinterklaasfeest zelf ter discussie stelt.
 
Ik herinner me mijn eigen teleurstelling, lang geleden, toen mijn moeder me vertelde dat Sinterklaas niet bestond, hoewel het de cadeauverschillen onder klasgenootjes wel verklaarde.
Toch vertelde ik onze kinderen, toen ze klein waren, hetzelfde sprookje. Ik wilde geen spelbreker in dit nationale kinderfeest zijn. Ook ik genoot van de verwachtingsvolle spanning van onze kinderen.
Tegelijkertijd veroorzaakte het stress, want al weken van te voren bestookten media ons met speelgoed waar Sint kinderen mee kon verwennen. Onze kinderen zagen het schip met goud binnenlopen en maakten verlanglijstjes. Ik legde uit dat Sint al die cadeaus niet kon geven, want als hij alle kinderen iets wilde geven, was zijn geld snel op… Maar hoe verklaarde ik dan dat een jongetje uit de klas het duurste cadeau gewoon in zijn schoen gekregen had?
 
Ik was opgelucht toen hun sinterklaassprookje voorbij was, maar schrok ook van hun teleurstelling. Hoe hadden wij hen zo kunnen voorliegen? Doordenkend vind ik dat wij onze kinderen misschien teveel sprookjes vertellen. Dat ze alles kunnen worden wat ze willen, als ze hun best doen. Dat ze later iemand zullen ontmoeten die altijd en alleen van hen houdt of zelfs dat er een almachtige schepper is die voor ze zorgt. Dat het niet erg is om vlees te eten, want dieren vinden het helemaal niet vervelend om doodgemaakt te worden. Dat een tandenfee hun melktandjes spaart. We liegen ze nogal wat voor gedurende hun jeugd!
 
Van Sinterklaas weten we dat hij niet bestaat. Al die andere dingen weten we niet, het zijn sprookjes waarin wij misschien zelf graag geloven. Maar eigenlijk zijn het leugens die verwachtingen creëren die zeer zelden worden waargemaakt.
Misschien wordt het tijd om kinderen de waarheid te vertellen. Dat wij het ook niet zeker weten.
Het enige wat we wel kunnen doen, is liefdevolle, betrouwbare en veiligheid biedende ouders zijn.
Als kinderen die zekerheid hebben, zijn ze beter op hun leven voorbereid dan met welk sprookje dan ook.
 
Annemarie van Gelder

Wie zijn die jagers eigenlijk?

Via via ken ik een vrouw met wie ik het goed kon vinden. Mijn echtgenoot kende haar man via andere kanalen. De basis voor een vriendschap leek gelegd: ik nodigde ze uit om te komen eten. Vertelde wel dat ik iets vegetarisch zou bereiden, omdat wij geen dieren eten. Dat was geen probleem, zei de vrouw.

Na enig zoeken vonden we een geschikte datum. Maar toen ze vertelde dat ze mogelijk iets verlaat zouden zijn omdat haar man die dag ging (hobby-)jagen, heb ik de uitnodiging ingetrokken. Aan mijn tafel geen moordenaars! De vrouw verontschuldigde zich, ze vond het ook niet leuk dat hij dat deed, maar ja…

Als mijn echtgenoot zo’n ‘hobby’ koos, zou ik hem het huis uitjagen en hem nooit meer binnenlaten. Het zette mij wel aan het denken. Jagers zijn meestal onzichtbaar handelende, in groen gehulde types, die in groepjes opereren en áls je ze al ziet, zijn hun onder petten verborgen gezichten nauwelijks herkenbaar. Maar het zijn dus vaak mensen die we kennen. Zelf ken ik er ook een. Een aardig mens dat echt denkt dat ze iets bijdraagt aan natuurbehoud. Tegenwoordig jagen ook veel stadse jongedames, omdat het dankzij foute artikelen zoals in de Linda, een glamourachtig tintje heeft gekregen. Met modetips om ook nog aantrekkelijk ogend ‘ in de natuur bezig te zijn’.

Een klein onderzoekje lijkt aan te tonen dat ‘plezierjagers’ vaak artsen zijn, of werkzaam in de medische wereld. Ze hebben stressvolle en verantwoordelijke banen- en, niet onbelangrijk- een behoorlijk salaris, want jagen is duur! Hun vrije dagen gebruiken ze graag om ontspannend bezig te zijn in de buitenlucht. Bij het doden van reeën, konijnen, hazen en fazanten -en het allerliefst vossen, want dat is het mooiste- glijdt de spanning van hen af en – goed voor hun geweten- ze ‘leveren hun bijdrage aan het op peil houden van de wildstand’.

Wonderlijk toch dat mensen die op relatief hoog niveau een studie hebben afgerond, niet openstaan voor wetenschappelijke bewijzen dat het categorisch doden van wilde dieren uitsluitend toename van aantallen dieren veroorzaakt. Dood een vos en er komt onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats. Dood wilde ganzen en de achterblijvers leggen nesten met veel meer eieren. De enige echte oplossing voor ‘overlast’ door wilde dieren is ze wereldwijd uit te roeien, maar dat willen jagers ook weer niet. Hun jachtlust wordt dus voornamelijk gedreven door de behoefte ook volgend jaar weer wat te schieten te hebben…. Dat verklaart ook bijvoorbeeld dat jagers vaak voedsel voor hun prooien neerleggen als weersomstandigheden ongunstig zijn. Of dat ze meehelpen voorkomen dat wilde dieren aangereden worden of zelfs helpen reekalfjes te redden uit velden waar nietsontziende hakselmachines oogst binnen gaan halen.. Er moet wel iets te bejagen blijven!

Ik zou de namen en gezichten van deze zogenaamde weldoeners willen kennen. Ik zou willen dat ze zich openlijk presenteren, als ze vinden dat ze zoveel ‘goeds’ doen, dat ze zomaar, uit de goedheid van hun hart, weerloze dieren doodschieten. Angst en paniek veroorzaken door hun goed getrainde en kostbare jachthonden achter kansloze dieren aan te sturen die ze met een kogelregen ‘omleggen’. Zelfs gunnen ze ze soms nog een laatste kogel om ze ‘uit hun lijden te verlossen.’

Het schijnt dat iets van 90 procent van de Nederlanders tegen de hobbyjacht is. Moeten die allemaal machteloos toezien hoe een relatief klein groepje malloten dieren doodknalt die- in feite- van niemand en dus ook van ons allemaal zijn?

Volgens mij kunnen we wel iets doen. Vraag je specialist, je huisarts, je tandarts, je fysiotherapeut, je bakker, je slager(!), je groenteman, je belastingadviseur, je kapper, je cosmetisch chirurg.. of hij of zij jaagt. Is dat zo?

Zoek dan onmiddellijk een andere dienstverlener!

Ik voor mij hoef geen advies of behandelingen van iemand die bloed aan zijn of haar handen heeft!

Annemarie van Gelder

We moeten onze instincten opschonen. Dat geloof ik.

Wij zijn allemaal onthutst door wat terroristen uit naam van de Islamitische Staat doen. Zij vermoorden en vernielen nietsontziend iedereen die- en alles wat- hun islamitische droomland in de weg kan staan. Zij vinden dat zij het recht hebben. Dat geloven zij.

De meeste mensen wijzen dit af. Zomaar wildvreemde mensen doden vanwege een geloofsverschil lijkt iets wat alleen primitieve holbewoners deden; wij zijn zoveel verder geëvolueerd dat we dit soort gedrag uit onze instincten hebben weggesaneerd. We doden onze rivalen niet meer, mannen slepen hun vrouwen niet meer aan hun haren hun hol in en bij meningsverschillen verheffen we hooguit onze stemmen. We hebben ons als soort door de eeuwen heen verbeterd, we worden steeds slimmer en beschaafder. Nog niet eens zo heel lang geleden is –na veel strijd- de slavernij afgeschaft en zijn –na veel strijd- vrouwen gelijkwaardig aan mannen. Gekleurd, man en vrouw, blond en donker, geniaal en achterlijk, lief en geniepig, hetero en homo, gezond en ziek, gehandicapt en zonderling, pas geboren en stervende: we hebben allemaal hetzelfde recht op leven. Dat geloven wij.

Steeds meer mensen wijzen niet alleen het vermoorden van medemensen af, maar ook het doden van dieren – wat voor soort dan ook. Volgens hen verdienen ook andersoortige levende wezens hun plek op deze aarde en hebben wij niet het recht deze schepselen aan ons te onderwerpen al naar gelang het ons uitkomt: als huisgenoot, als vertier of (meestal) als voedsel. Andere mensen vinden weer dat je dieren niet met mensen mag vergelijken en dat het dus onzin is om dit te vinden. De discussies hierover verschillen inhoudelijk overigens niet zo erg van die tijdens de conflicten over de slavernij en vrouwenrechten…

Slaven en vrouwen zijn inderdaad mensen en dieren zijn geen mensen. Maar genetisch verschillen wij mensen niet zoveel van varkens, honden, katten, paarden, apen en koeien. Grootste verschil is dat wij vinden dat wij kunnen denken en dat wij dus ‘beter’ zijn. En alleen dat zien wij als de rechtvaardiging om van dieren dingen te maken, die voornamelijk mogen bestaan ter meerdere ere en glorie van ons. Dat geloven wij.

Dus worden er hier in Nederland alleen al jaarlijks 500.000.000 jonge, gezonde en compleet onschuldige dieren vermoord. Omdat veel mensen menen ‘vlees’ nodig te hebben. Omdat ze dat gewend zijn en er nooit over nadenken. Iedere dag, zo’n 650 keer per minuut, bloeden een miljoen meestal jonge, onschuldige en angstige dieren dood omdat mensen ‘gewoon’ een pakje kipfilet, een schouderkarbonaadje, een pond gehakt of een lekkerbekje willen eten. Dat ‘is de natuur’. Dat geloven ze.

Wie verontwaardigd en misschien wel bang is voor de nietsontziende acties van terroristen, zou zich eens kunnen afvragen hoe schoon zijn of haar eigen onwetende handen eigenlijk zijn. Een ander heeft namelijk uit uw naam gedood! Als u een man op straat zou zien die een groot scherp mes op de hals van een angstig kalf zet, zou u dan ‘ho’ roepen? Of kijkt u verlekkerd toe hoe uw biefstuk panklaar wordt gemaakt?

Mocht u tot die gestaag groeiende groep mensen behoren die het hoofd verschrikt zou afwenden en misschien wel om genade zou smeken, dan is uw instinct vermoedelijk hard bezig verder te beschaven. Gefeliciteerd! U neemt deel aan een emancipatiebeweging die de wereld zal veranderen. Want op de dag dat niet alleen het bloedvergieten van onze medemensen, maar ook van dieren niet meer ‘gewoon’ is en ons gezamenlijke instinct heeft verlaten, zou het leven van de generaties mensen en dieren die na ons de aarde bevolken wel eens eindelijk compleet geweldloos kunnen zijn.

Dat geloof ik.

Annemarie van Gelder

 

Kijken naar de wolken

We zitten in zwaar weer, op meerdere fronten. En volgens mij zitten heel veel mensen in zwaar weer, vaak nog veel en veel zwaarder dan dat van ons. Het is moeilijk om mee om te gaan, de ene dag ben je hoopvol, maar de volgende dag kan alles onoverkomelijk lijken. En ’s nachts,… oef, dan tuimelen de demonen door je hoofd met slechtweerberichten.. Lang en diep slapen wordt een luxe die je je herinnert van een vorig leven, naar bed gaan lijkt af en toe een tocht naar de slachtbank.

Ellende is universeel, kennelijk. Het ‘hoort bij het leven’. Voor een paar gelukkigen komt het nooit, sommigen weten niet beter en aan velen wordt het pas op latere leeftijd gepresenteerd.

Als je zelf aan de beurt bent, lijkt het erop dat ineens iedereen die je lief hebt ziek wordt en sterft. Of het treft jou zelf. Je belandt dan in een wereld die je voorheen niet kende, van ziekenhuizen en perifere hulp.  Psychische hulp, om ons te leren in het reine te komen met al die andere dingen waar we op school niets over leerden: ziekte, dood, verlies, trauma’s, de wanhoop.

Er is bijvoorbeeld veel ontdekt en geschreven over ons ego, dat ons dingen zegt te denken die ons vervolgens ongelukkig maken. Je kunt yoga gaan doen, of mediteren of – verwesterd- mindfullnessen, om dat vermaledijde ego het zwijgen op te leggen, en zo zijn er meer mogelijkheden die ons kunnen leren om alle ellende niet meer zo te ‘voelen’ en mee te stromen met wat nu eenmaal onvermijdelijk is.  Er zijn legio mensen en instanties die ons daarbij willen helpen en er soms zelfs een leuk belegd boterhammetje mee verdienen.

Ook ik heb het geprobeerd. Verdriet om de aftakeling en het akelige sterven van mijn ouders, dierbare vrienden, een spannende emigratie naar Frankrijk en nog wat dingetjes deden mij -onder meer- hulp zoeken in mindfullness. Eerlijk gezegd vond ik het wat teleurstellend- voor mij ‘werkt’ het kennelijk niet. Toen gebeurde er nog iets: mijn man kreeg een ongeneeslijke vorm van kanker. Een dierbare vriendin overleed, en nog drie mensen uit onze directe vriendenkring. Mindfullness hielp me ook nu niet. Niets eigenlijk, behalve dan de onverwachte hulp van sommige mensen, die zich ware vrienden toonden. Maar als meedogenloze paniek je ’s nachts bij je keel grijpt, is er niets wat helpt en het enige wat je dan zeker weet, is dat de uren heel lang gaan duren.

Ik verkeer in de gelukkige omstandigheden dat mijn man er nog is en dat het momenteel redelijk goed met hem gaat. Zijn kanker is de derde –en geen prettige- partij geworden in ons huwelijk. We hebben het samen. Als je lang getrouwd bent, ben je niet alleen aan elkaar gehecht, je bent ook met elkaar vergroeid. Ik ken mensen van wie de partner is overleden en die ervaren het als een letterlijke amputatie. Hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn, ze zijn een deel van zichzelf kwijt.

Wij weten niet hoelang hij nog zal leven en hoe. In feite weet niemand dat, want er kan elke dag, ieder uur iets gebeuren- de kranten staan er vol van. Ook ik zelf kan overlijden voordat hij dat doet.  Toch vind ik het leven met de concrete dreiging van kanker anders dan met die ‘gewone dreiging.’ Ik vind het best zwaar. En mindfullness of praten met psychologen helpen mij niet, noch al die andere trucjes uit boeken en van deskundigen. Maar ik heb iets anders ontdekt.

Gisteren was het zowel zonnig als bewolkt, niet heel warm en niet heel koud. En er stond een stevig windje. Ik merk de laatste tijd dat er heel veel dingen zijn die ik toen ik jong was, prettig vond om te doen -, zoals stripboeken lezen of gewoon op een matrasje in het gras in de zon liggen-  nooit meer doe. Waarom eigenlijk niet?

Ik ging op de grond in het gras liggen met onze drie honden. We roedelden. Ik lag op mijn rug en keek naar de lucht. Hoelang was het geleden dat ik de tijd nam om naar wolken te kijken? Dat was toen onze kinderen klein waren, in een vorig leven. Toch zijn die wolken er nog regelmatig. Ik zag hoe ze  elkaar omhelsden en loslieten, najoegen en in elkaar opgingen. Ik zag blazende gezichten en apentronies die in bloemen veranderden. Ik zag kolken en baaien. De eindeloosheid. De wolken zeiden tegen mij: “Hé, ben jij daar ook weer eens?” Ik zag vliegtuigen passeren zo klein als mieren en helder als glas, hun staarten losten op als ze boven de wolken verdwenen.

En wij doen maar hier beneden op die aardkorst. We doen landjepik en maken elkaar dood  vanwege onze zelfbedachte ideeën over het bestaan van een hogere macht. We buiten weerloze dieren uit en overeten ons, terwijl de helft van de wereldbevolking verhongert. We doen maar. We krijgen ziektes -die we zelf waarschijnlijk veroorzaakt hebben- die we bestrijden met medicijnen die over vijftig jaar mogelijk weer nieuwe ellende blootleggen. We weten niet beter. En onze aardbol draait intussen om de zon en wolken wervelen boven onze hoofden, die vol zitten met de gekste gedachten.

Ik heb mijn hulp en houvast gevonden. Ik kijk omhoog.  Daar gaat alles gewoon door zoals het was ver voordat wij er waren en lang nadat wij weer opgehoepeld zijn. Ik kijk naar de wolken. Ik kan het u aanraden.

Annemarie

Een tas met een staartje, zeg maar.

De Fransen die wij ontmoeten lijken aardiger tegen dieren te zijn dan de Fransen die ik mij uit mijn jeugd herinner. We zien hier geen kettinghonden en de Fransen die ons bezoeken, aaien onze honden of bewonderen onze katten. Toen ik de burgemeester van ons circa 250 inwoners tellende dorp vertelde dat ik bang was dat onze katten slachtoffer zouden worden van de jacht hier, legde hij zijn hand op zijn hart en zei dat hij zelf vier katten had en er echt nooit een zou doodschieten. Dat doen jagers niet. Zei hij. Ik kan dat slecht rijmen met het gegeven dat ze dan wel doodleuk op herten, zwijnen en vossen  schieten, maar ik heb het maar als waarheid aangenomen. Maar als op 1 september het jachtseizoen weer ingaat, ga ik wel extra op mijn huisgenoten letten.

Veel Fransen vertellen dat ze zelf ook een hond of honden hebben, maar in deze contreien zijn dat meestal jachthonden, die meer in hokken zitten dan elders en vooral ’s nachts bijna prehistorisch klinkende jankconcerten kunnen geven – vooral in dat jachtseizoen. Dan worden ze hongerig en met zijn allen tegelijk de bossen ingestuurd om wild (dat van zichzelf vaak niet weet dat het wild is, want vooral veel herten zijn vreselijk tam) op te jagen richting de weg, waar de jagers hen met geweren opwachten. Wat een sport. Zucht. De mensen die hier wonen weten inmiddels al dat ik er niet van gediend ben en als een hysterische huisvrouw achter de jagers aandraaf om ze te verjagen…Mijn naam is hier al gevestigd, dankzij een paar akkefietjes.

Dierenliefde is een meervoudig te interpreteren fenomeen. Er is de dierenliefde van mensen die het ontzettend zielig vinden dat dieren gedood worden om opgegeten te worden, maar daar willen ze niet steeds aan herinnerd worden. “Hè gat, nu even niet hoor. Ik zit net te eten.” Er is de dierenliefde van jagers. Ze zijn gesteld op hun vaak dure jachthonden, maar als er een wegloopt, is hij niet veel meer waard. Er zwerven veel jachthonden rond hier…En van wilde dieren houden jagers ook: om op te schieten. Maar ook in stedelijke omgeving komen we mensen tegen die een hond hebben. Dan bega je al gauw de fout te denken dat de dierenliefde van die mensen wel zal lijken op die van ons, zeg maar ‘dierenvrienden van een onsje-meer’. Van de week waren we in Limoges, een leuke middelgrote studentenstad. We hadden onze drie honden mee: Aram, een beetje een nozem, Goochem, type vechtjas en Puck, een keffende stoffer. Best wel een zootje ongeregeld als je ons ziet lopen. Geen Cesar Milan horde, maar gewoon twee mensen die het warm hebben en toch wel vrij frequent verstrikt zitten in drie om hen heen draaiende uitrekriemen. Een braaf zittend hondje aan de overkant van de straat zorgt voor –bijna iedere keer weer- chaos: Goochem valt uit, Puck keft mee (haren in nek gaan overeind) en Aram besluit ook even een duit in het zakje te doen. We trachten te corrigeren, mopperen en worden hoofdschuddend nagekeken. We zijn eigenlijk wel ordinair.. ik geef het toe!

Maar wij vinden het eigenlijk altijd leuk om onze viervoeters – als ze braaf zijn- even kennis te laten maken met soortgenoten. Even neuzen, kontruiken en nieuwtjes uitwisselen. Wij maken dan zelf graag een praatje met de eigenaren: “Ach wat een schatje, hoe oud is hij/zij? etc.” en dan gaat ieder weer zijns weegs. Maar in Limoges gebeurt dat niet, o nee! Honden lopen met samengeknepen billetjes naast hun –meestal- vrouwelijke eigenaren. Ze zijn geen andere honden gewend, kunnen braaf zitten en liggen en moeten wachten tot hun bazinnetje in de parfumerie een nieuw luchtje heeft gekocht of een knap japonnetje in een damesmodezaak. En ze mogen vooral niet kijken naar andere honden. Ik zag soms zelfs hondjes bij wie het oogwit te zien was van stress toen onze schoffies naar ze keken. De hondjes zijn ook zodanig gemodelleerd, gekapt en soms zelfs gekleed dat ze passen bij de uitdossing van hun vrouwtjes. Het zijn geen gebruiksvoorwerpen zoals de jachthonden, maar accessoires. Een tas met een staartje, zeg maar.

Slechts een enkele keer komen we Fransen tegen die hun honden behandelen zoals wij dat graag zien: als behaarde vrienden met eigen voorkeuren en eigenaardigheden. Gelukkig wonen hier ook veel Engelsen. Engelsen hebben iets met honden. Ze vangen de dwalende jachthonden op, ze richten stichtingen en instanties op en verenigen zich in actieve clubs om de situatie voor honden in dit grote land te verbeteren.

Eindelijk, dachten wij: Dierenvrienden van ‘ons’ kaliber. We gingen naar een bijeenkomst om geld in te zamelen voor asielhonden. Allemaal supernice people met hun honden, in alle soorten en maten. We werden begroet als oude bekenden. We konden lootjes kopen voor het goede doel.

‘Wat kan je winnen?’ vroeg ik naïef. De mevrouw die de lootjes verkocht draaide zich om, keek zoekend rond en wees toen naar een kraam verderop. ‘ A roasted pig,’ zei ze opgewekt.

Er is nog een heel lange weg te gaan!Tekening Annemarie

Leuk die natuur… maar niet in huis!

We wilden -en willen- wonen in en – leven met de natuur.. Leven en laten leven. Wat klinkt dat toch gezellig! Toch, als je dan eenmaal bezig bent om dat waar te maken, besef je pas dat niet jij, maar vooral die natuur concessies moet doen. Oké, dat huis dat stond er al, al sinds 1800 of zo. Dus daar was die natuur wel aan gewend. Maar die bomen op de helling achter het huis hadden er bijvoorbeeld niet op gerekend, dat zij het loodje zouden moeten leggen. Ze hingen vervaarlijk diep over het dak en ja dan.. Dus vort met die bomen. Vervolgens wekenlang zagen in de stammen en klieven van de stukken hout. Herrie, ook bijkomstig probleempje voor die natuur. Dat we drie lieve afstandshonden hebben, is ook een minpuntje voor de natuur: poep en pies en geblaf, reeën schrikken zich een hoedje, net als de zevenslapers en andere natuurlijke bewoners die hier al die tijd al zaten voordat wij er waren, gedurende die hele periode dat het huis leeg stond. O, en dan onze schatten van katten.. die hebben een metamorfose ondergaan. Van gezapige huiskatten zijn het categorische sluipmoordenaars geworden. Geen muis is zijn of haar leven nog veilig en salamanders hebben massaal hun knapzakjes gepakt en zijn verkast.. We laten de vleermuizen in de kelder met rust, maar ook zij worden te vaak gestoord in hun dagslaap als wij weer eens wat moeten veranderen daar beneden..  We zwemmen en peddelen  af en toe in het meer en de otter die het hier net zo prettig vond toeven, heeft mopperend een ander heenkomen gezocht. De eenden verstoppen zich in het struikgewas als wij ons laten zien.

De natuur moet een behoorlijk eindje opschikken voor ons, eigenlijk.  Want we willen er wel van genieten, maar vooral ook geen last van hebben.  Leven en bij voorkeur laten leven, werd ons devies dus… Tot verleden week een stevige frelon een bezichtiging had in een van de vele gaten die onze dikke stenen Franse muur rijk is. Op zich niet alarmerend, maar hij –of zij- koos precies een gat in de hoek van het badkamerraam. Ons badkamerraam. Ik keek het een tijdje aan – veilig van binnenuit en met een toch wel licht paniekerig bonzend hart- en zag hoe steeds meer vrienden van hem –of haar- zich bij hem -of haar- voegden. Er zat een respectabel oud en stevig stuk spinnenweb in de weg en dat knaagden ze probleemloos en in no time door. Het gat werd toegangsvriendelijk gemaakt. Het zag er serieus uit.  Ik heb beslist geen hekel aan frelons of wespen of bijen, maar ik heb wel een heilig ontzag voor de irritatie die ze voor ons kunnen gaan voelen en de daarbij behorende steekacties….

Op internet las ik dat er in principe niets aan de hand is als ze zich nestelen, maar dat je er wel voor moet zorgen dat je niet dichter dan vijf meter in de buurt van hun nest komt. Frelons zouden niet agressief zijn. Maar als dit clubje het gat naast het raam van onze badkamer zou betrekken, zou dat betekenen dat het nooit meer open kon.. En zouden ze zich niet ook naar binnen kunnen knagen? Dan zitten we dus echt wel binnen die vijf kritische meters als we ons net staan te poedelen..

In een tuinartikelwinkel vroeg ik om raad. De verkoper trok zijn Franse wenkbrauwen hoog op toen ik zei dat de dieren volgens mij toch geen kwaad konden? Ik zag hoe hij me categoriseerde: Raar sentimenteel buitenlands wijf. Hij zei dat een frelonsteek zeer, zeer gevaarlijk kon zijn en hield een spuitbus omhoog en deed voor wat er zou gebeuren als ik daar mee spoot:’ Pouf pouf pouf… ‘ hij maakte gebaren van neerstortende beestjes, als kleine straaljagers die uit de lucht geschoten werden..

Met mimiek van mijn kant maakte ik vervolgens duidelijk dat het om een ‘trou’ in de ‘pierre `a coté de la fenêtre’ ging en hij keek zorgelijk. Toen verkocht hij mij voortvarend een bus met een klemmetje en een slangetje, dat wij na zonsondergang in het gat dienden te steken en leeg moesten spuiten.. Alles wat leefde zou binnen enkele seconden dood zijn. Geen centje pijn.

Toen ik thuis was, belde mijn dochter. Ik vertelde haar over de frelons. Onze dochter is biologe en –net als wij- dierenvriend.’Nou,’ zei ze, een beetje plagend.’Je wilde zo graag in de natuur wonen, maar je gunt andere levens daar hun plekje niet als het erop aankomt.’ Mijn schuldgevoel groeide.  Na zonsondergang stonden mijn man en ik naar het gat in het steen in de hoek van ons badkamerraam te kijken.

‘Ze zijn zeker al aan het slapen,’ zei ik.

‘Wil je dat ik spuit?’ vroeg mijn man, die altijd mijn ridder is.

‘Laten we nog maar even wachten,’ zei ik. ‘Misschien beviel de plek ze toch niet en zitten ze er helemaal niet.’

De volgende ochtend was er geen frelon te bekennen en ook de dagen daarna niet. Ik vermoed dat ze een andere locatie gevonden hebben- of ze hebben die spuitbus in de vensterbank zien staan.

Het badkamerraam met al die natuur daarachter  houd ik voor alle zekerheid echter voorlopig nog even gesloten!

Life is what happens while you’re making plans..

Jpeg
JpegDe vallei van Forge Basse
Jpeg
JpegHet meer van Forge Basse

Er zijn mensen die in de stad willen wonen, vanwege cultuur, winkels, kroegen, restaurants, films, muziek,… kortom, vanwege andere mensen en wat die te bieden hebben. Mensen hebben, net als bijen en mieren, de natuurlijke neiging om dicht op elkaar te kruipen. Het zal wel iets met ons instinct te maken hebben: als je met een grote groep soortgenoten bent, is een mogelijke vijand beter te bestrijden. Het is intussen ook een instinct dat voor veel stress kan zorgen: in de rij staan, van je sokken gereden worden als je fietst, geen parkeerplek voor je auto kunnen vinden, onbetaalbare huizen (omdat iedereen daar wil zitten) en een grote mate van geluidsoverlast en andere hinder- van elkaar.

Ik ben in Amsterdam geboren en getogen –drie hoog- en ik wist al heel jong dat ik er weg wilde. Mijn instinct zegt me van grote massa’s mensen weg te blijven. Ik heb geen hekel aan mensen – er zijn er een heleboel van wie ik veel houd- maar ik verafschuw het om op een hoop te zitten met veel onbekende anderen. Ik ben meer iemand van de een-op-een-contacten.

Friesland

Eenmaal getrouwd, verhuisden mijn man (gelukkig met datzelfde instinct behept als ik), de kinderen en ik naar Friesland. Veel van onze kennissen zagen het als een deportatie naar de rimboe, maar voor mij was het een langgekoesterde droom. We settelden ons in een klein dorp, met basisvoorzieningen – een school, een winkel, een dokter- in de buurt en mochten onze kinderen een jeugd bieden in een groene,  veilige en ruime omgeving. Buiten spelen was het credo en zomers liepen ze op blote voeten in het gras. Nee, cultuur(=andere mensen) was daar niet veel, wel wat ik toen nog in mijn naïviteit als ‘natuur’ bestempelde, maar wat later voornamelijk agrarisch productielandschap bleek te zijn.

Toen onze kinderen uitgevlogen waren en de weg door ons lieflijke plattelandsdorp steeds meer veranderde in een racesluiproute, besloten wij naar Frankrijk te verkassen. We waren beiden 58, best jong om met alles te stoppen. Waarom deden we dat? Omdat mijn schoonvader maar twee maanden van zijn pensioen had mogen genieten voor hij dood neerviel. Dat had ons aan het denken gezet. Als we goedkoop leefden, zou het moeten lukken:  ‘liever nu je droom waarmaken dan ‘later’.  Onze droom om ‘in de natuur te leven’ bleek in Nederland niet haalbaar. Een boer die ik ken, verwoordt het zo: ‘In Nederland is geen vierkante centimeter grond die níet gebruikt wordt.’

Frankrijk

Frankrijk is enorm. Veel mensen zeggen ‘O’, als je zegt dat je daar gaat wonen. Geen idee wat ze zich voorstellen. Parijs, Bretagne, Bourgogne,  de Dordogne…? Alpinopet en stokbrood? Brie en Franse wijn? Na geruime oriëntatie beperkten wij onze speurtocht   tot  een specifiek gebied: binnen de aan elkaar grenzende provincies Aquitaine  en Limousin in de Dordogne of in de Haute Vienne, ook wel de Perigord Vert genoemd, een beetje bergachtig gebied waar bossen de hoofdmoot vormen. Dit gebied kent een rijke prehistorie en wordt soms zelfs wel ‘de wieg van de mensheid’ genoemd.

Een ‘krimpgebied’  wordt het ook genoemd, zoals bij ons bijvoorbeeld Noord-Groningen. Onaangetast door vorige generaties, lijkt het, niet alleen getuige de intact gebleven versieringen in  grotten, spleten en schuilplaatsen van zeer verre voorouders, maar ook ‘bovengronds’, waar kortdurende menselijke activiteit al generaties lang steeds weer overwoekerd wordt door natuur.

Het is hier leeg. Jonge mensen vinden geen werk, boeren vinden geen opvolgers.(!) Veel huizen zijn verlaten en veel daarvan staan te koop, niet alleen van Fransen die vertrokken zijn, maar ook van Engelsen en Nederlanders, die hier hun droom- giteverhuur, een Bed and Breakfast of een fishfarm – hebben waargemaakt en vanwege ouderdom en verlangen naar hun kleinkinderen het thuisland weer opzoeken. Vooral die panden van Engelsen en Nederlanders zijn vaak prachtig gerestaureerd, hebben fraai aangelegde tuinen en adembenemende vergezichten.

Wij wisten precies wat we níét wilden: niet aan een weg, niet met buren, niet in recreatiegebied.. niet naast boeren-of anderssoortig bedrijf… en wat we wél wilden: veel grond, een bewoonbaar huis met bouwmogelijkheden voor energieneutraal leven en rust. Tijdens onze zoektocht hebben we tientallen huizen bezocht en vaak wisten we beter dan de makelaars wat er waar en voor hoeveel te koop stond.

Liefde op het eerste gezicht

Op een dag vonden we onze parel:  een geïsoleerde longère (een heel breed huis), aan het eind van een klein doodlopend weggetje, met aan de ene kant uitzicht op een –eigen- meer en aan de andere kant op een –eigen- vallei. Bijna tien hectare eigen grond, bos, wei en varenvelden. Dichtstbijzijnde buren op circa 300 meter, maar in feite na de ronding van een berg dus uit het zicht en buiten gehoorsafstand. Dat huis staat trouwens ook leeg, nu.

Na alles wat wij hebben mogen bekijken, was er meteen die klik. Liefde op het eerste gezicht.  Ver van een –niet eens zo druk- weggetje, ver van buren en bedrijvigheid. Een huis midden in de natuur, met zelfs een eigen waterbron. Liefde op het eerste gezicht. Dat het huis zelf verre van goud op snee was, maakte ons niet zoveel uit.  Locatie, locatie en locatie zijn immers bepalend voor een huis. Een deel van het huis was overigens gerenoveerd en al zeer goed te bewonen. Manlief is een handige klusser, met tijd, energie en bouwplannen (energieneutraal, een uitbouw, een aanbouw..) genoeg en met de rest zou het allemaal wel goed komen. Ik zou zorgen voor boodschappen, voedselvoorziening, was- en hand- en spandiensten. Ik zou een moestuin aanleggen. We zouden voor jaren onder de pannen zijn en daarna zouden we wel zien.

Ik vertrek

In juni 2013 gingen wij wonen op Forge Basse, in La Chapelle Montbrandeix. Als we hier een bedrijfje hadden willen starten, waren we zeker voor dat leuke ‘o-wat-een-narigheid-verhuizing-naar-het-buitenland-TV-programma ‘Ik vertrek’’ in aanmerking gekomen. Want alles wat mis kan gaan, ging mis.  Lekkages, (veel) meer kwalen in het huis dan voorzien, stroomuitval, bomen achter het huis die voor problemen zorgden…vocht, vaklieden die van alles toezegden en stomweg niet op kwamen dagen… en relmuizen. Of ‘zevenslapers’ zoals ze ook genoemd worden, een soort eekhoornachtige schepseltjes, die zeven maanden per jaar slapen en de overige vijf ’s nachts disco houden in tussenvloeren en oude zolders in oude huizen. Toch, allemaal overwinbaar en spannend. En die relmuizen die wennen wel. Willen gaan leven in een ander land is sowieso heel enerverend, alles is anders, de bureaucratie, de communicatie. En dan was er dat meer…

Het gebied waar wij neerstreken, wordt wel het land van de 1000 meren genoemd. Die meren zijn begin 19de eeuw met behulp van dammen in rivierbeddingen aangelegd om in vis te voorzien voor de locale bevolking. Het zijn veelal zieltogende en verwilderde waterpartijen, maar ze maken wel deel uit van het wijdvertakte drinkwaterreservoir. Daarom dienen al die meren volgens vanuit Brussel opgelegde regels te voldoen aan allerlei nieuwe criteria. Heftige criteria, om damdoorbraken en vooral watervervuiling tegen te gaan. Dure maatregelen, die een nieuwe eigenaar verplicht is te nemen. Maar ook hier bleek mijn echtgenoot niet van onder de indruk. We hadden de tijd, hij zou het allemaal wel regelen..

We hadden het heel erg druk. Gelukkig blijkt Frankrijk voor veel mensen een leukere tussenhalte als ze op vakantie zijn dan Friesland, dus wij mochten ons verheugen in een gestage aanvoer van logees, die met tent, camper of caravan ons mooie stukje natuur graag met een bezoekje vereerden.  En niet te beroerd bleken de handen uit de mouwen te steken, met timmeren, zagen, behang  afhalen of snoeien.

Twijfelmomenten

Natuurlijk hadden we onze twijfelmomenten over het hele project. 10 hectare voornamelijk achterstallig onderhoud is  veel. In het huis moest veel gebeuren. Als dierenvriend en vegetariër in Frankrijk heb je het niet gemakkelijk, vooral niet in die ruime periode dat er gejaagd wordt.. Mijn auto-immuunziekte stak de kop op en mijn echtgenoot begon overal pijn te krijgen. Niet gek als je zag hoeveel hij beulde. Maar in september, nauwelijks drie maanden nadat we Forge Basse betrokken, viel hij in een week tien kilo af en belandde in een half coma, terwijl klussers de  kapotte verwarmingsketel aan de praat probeerden te krijgen en de nieuwe radiatoren aan het aansluiten waren. De locale huisarts schreef hem diverse medicijnen voor, maar het was dankzij onze huisarts en goede vriend in Nederland dat er snel bloedonderzoek gedaan werd. In het ziekenhuis in Limoges bleek dat mijn man een vorm van beenmergkanker had – en heeft.

Shit happens. Deze schokkende gebeurtenis bracht veel teweeg: we bleken meer – en andere- vrienden te hebben dan we dachten en binnen de kortste tijd zaten we in een huurhuis in de buurt van een ziekenhuis in Nederland, waar een lange en intensieve reeks behandelingen begon. Later betrokken we een huisje met-alles-op-de-begane grond in Nederland, omdat de voorspellingen voor mijn man luidden dat trappen klimmen moeilijk voor hem zou zijn. Ons Franse paradijs zetten we te koop; de prognoses voor mijn man waren niet zodanig dat we dat scenario nog zouden kunnen voortzetten.

Het is nu iets langer dan twee jaar geleden dat we in Frankrijk wilden gaan wonen. Verleden jaar zijn we er twee keer langere tijd teruggeweest. Mijn echtgenoot voelde zich zoveel beter dat hij zelfs weer begon te klussen, ook met vrienden. Soms vergaten we zelfs dat hij ziek was, maar terug in Nederland bleek dat de ziekte zich alweer zorgwekkend roerde. Nieuwe behandelingen volgden. Hij is nu ‘stabiel’, en zit op een onderhoudsdosering van een medicijn dat de kanker nog een tijd moet verjagen. Genezen zal hij niet. Hij heeft onherstelbare nierschade. Maar hij voelt zich goed en hij ziet eruit alsof er niets aan de hand is. Hij gedraagt zich ook zo.

Slapend monster

Intussen ligt Forge Basse hier, in mijn gedachten in Nederland soms als een groot slapend monster, maar eenmaal ter plekke nog net zo geliefd als die eerste keer. God, wat is het hier mooi en ongerept. Nederland is ook mooi, maar wat is het er vol en aangeharkt! Wat is de mens daar de baas. Hoe anders is het hier. We hebben onze hielen nog niet gelicht of de natuur pakt alles terug, zoals overal hier om ons heen. Het huis van onze buren staat leeg sedert februari, de –overleden- huurder was tuinman en alles was altijd spic and span. Nu is het huis al bijna aan het zicht onttrokken…

Als wij hier arriveren, moeten  we ons huis terugveroveren van brandnetels en bramen en vragen wij hagedisjes, spinnen en muizen beleefd zich elders te vestigen. De otter en de eenden en de (grote) vissen en slangen en kikkers die ons meer bevolken, mogen blijven waar ze zitten. De reeën in de vallei kijken verbaasd onze richting op: ‘Verroest, daar zitten mensen!’ en grijpen naar hun fototoestel.

Het staat nog steeds te koop. Het is toch gekkenwerk om je tijd en energie aan een project als dit te wijden als je een ongeneeslijke vorm van kanker hebt?

Maar.. maar, maar, maar… Het is hier zo heerlijk. Daarbij, de huizenmarkt in dit gebied ligt compleet plat. Teveel huizen voor te weinig vraag.  Mensen zitten, zoals gezegd, liever samen allemaal ergens op een kluitje dan midden in de natuur.Zelfs in vakantieperioden.  Niks voor kinderen te doen (wat is er mis met een hut bouwen? Zwemmen in een meer?), geen disco en geen restaurants (nou ja, wel een paar) of ander menselijk vermaak. Overigens zijn er legio marktjes en braderieën op enkele kilometers afstand.

Motorcircuit

Er zijn al best veel kijkers geweest. Een wilde hier vanwege het geaccidenteerde terrein een motorcircuit aanleggen. Anderen willen gites bouwen en huisjes verhuren. Een camping starten. Iemand had het over een natuurcamping. Maar de meesten  –voornamelijk Engelsen- willen van het meer een vismeer maken. Vissen schijnt de nationale hobby te zijn in Engeland. Veel Engelsen kopen hier zo’n meer, voor 60.000 euro, kieperen er voor 30.000 euro (gechipte) vissen in en gaan dan geld verdienen. Hobbyvissers betalen graag 1000 pond voor een weekje aan de waterrand zitten. Gevangen vissen worden via het chipje geregistreerd en met hun  geperforeerde lip in het water teruggezet. Lucratieve business. De mannen bekijken het meer. ‘Het is niet up to the norms’ zeggen ze, terecht. ‘Nee,’ dat moet nog,’ zeggen wij. ‘Duur.’ De vrouwen bekijken het huis: ‘Het is niet klaar,’ zeggen ze. ‘Nee,’ zeggen wij. En wij verbazen ons over wat ze allemaal niet zien. ‘Er is hier geen ruimte voor een parkeerterrein,’ zeggen ze. ‘De toegangsweg is hobbelig,’ zeggen ze. ‘Daar kan geen motorhome langs.’ Ze bekijken kritisch al die honderden huizen die hier te koop staan en die allemaal steeds meer in prijs zakken. Aspirant-huizenkopers in dit gebied gedragen zich als verwende kinderen in een snoepwinkel. Ze willen steeds meer voor steeds minder geld.

Maar aan motorcircuithobbyisten of vissenmelkers willen wij ons huis niet verkopen. Dan maar niet!  Ze zien namelijk niet wat het is. Ze snappen het niet. Wie hier niet net zo verliefd wordt als wij, verdient het niet. De ongereptheid, de afwezigheid van mensen. Geen weg, geen buren en ’s nachts kan je de sterren tellen.  De reeën, de otter, de eenden, de vissen. De stilte. De kleuren van het meer, de vissen die zomaar ineens omhoogspringen, de onbegrijpelijke rimpelingen in het water. En op alle uithoeken van ons terrein bordjes met: ‘Chasse interdit’, want ons terrein moet een vluchthaven voor wild zijn. Deze plek moet je niet commercieel willen uitbuiten, deze plek moet je ondergaan.

Wij zitten hier en denken aan wat had kunnen zijn. Ik vind het al een godswonder dat we hier weer gewoon samen kunnen zijn. Dat had ik echt nooit verwacht.  ‘Zolang het niet verkocht is, gaan we door met ons plan,’ zegt mijn pragmatische  echtgenoot. ‘Minder uitgebreid, maar wel om het in elk geval voor onszelf comfortabel te maken.’ Hij is er al mee begonnen, hij maakt een heel nieuwe keuken. Wie hem niet kent, zou niet zeggen dat hij een levensbedreigende ziekte heeft. ‘Misschien vinden ze nog wel een of ander medicijn,’ zegt hij. ‘Ze kunnen tegenwoordig zoveel.’ Hij heeft gelijk. Ook als hij zegt: ‘Een mens kan ook onder een bus lopen. Als je ophoudt met plannen maken, kan je net zo goed in je kist gaan liggen.’

En ik? Ik ben blij, maar ook best wel moe en murw. En bang dat hij weer getroffen zal worden door de kanker terwijl –of omdat?- hij zo druk bezig is. Ondanks alle hulp en gesprekken met lotgenoten, ondanks alle adviezen die ik krijg, weet ik het soms niet meer. Hoe kan men verstandig zijn in een situatie als die van ons? En heeft dat zin?  Als er iemand is die weet dat plannen zomaar door de wrede werkelijkheid ondersteboven gehaald kunnen worden, zijn wij het. Maar intussen zit ik maar mooi hier, ver van cultuur en andere mensen, maar ook ver van drukte, grasmaaiers, bladblazers, schuur-of zaagmachines, hondengeblaf of burenruzies, of, ergste van alles: ongevraagde muziek, dus van díe stress heb ik geen last!

bijlagen

Een deken over mijn hoofd

Soms zou ik een grote dikke deken om mijn hoofd willen trekken en niet meer hoeven zien en horen. Hoe komt het toch dat het lijkt dat maar zo weinig mensen begaan zijn met het lot van dieren? Hoe komt het toch dat mensen meewarig naar mij kijken, als ik vertel over wat er met dieren in de bio-industrie gebeurt, met ganzen of met zwerfdieren, en het hooguit vervelend vinden voor mij dat ik er mee zit? Waarom is het hun zaak niet? Hoe komt dat?

Hoe komt het dat ik, als ik hier op het platteland rondrijd en de pasgeboren kalfjes moederloos in de witte koepeltjes zie staan, trillend op hun pootjes, als ik in de megastallen de koeien hun halzen zie rekken om over de rand van hun gevangenissen naar buiten te kijken, of als ik een verdwaasde kieviet of een scholekster in de doodgespoten weilanden zie wroeten, steevast tranen in mijn ogen krijg, terwijl anderen oprecht zeggen dat ze het ‘hier zo mooi groen vinden’? Het is hier vergeven van het leed. Echt inmens veel leed.

Waarom zie en voel ik deze dingen en hoe komt het dat zo weinig andere mensen hier ‘last’ van hebben?

Hoe kan het bestaan dat mensen zichzelf dierenvrienden noemen en vlees en vis eten? Leren kleding kopen, tassen, jassen, schoenen, dingen, bontranden aan hun capuchon omdat de mode dat voorschrijft? Hoe kan het bestaan dat mensen hun brood verdienen in de ‘vleesindustrie’? Dat mensen miljoenen verdienen door dieren letterlijk uit te melken en dat dat ook nog gelegitimeerd is? Dat ‘overlast’ altijd alleen maar door dieren veroorzaakt wordt en steevast met de dood wordt afgestraft, maar dat er nooit gekeken wordt naar de overlast die mensen voor dieren betekenen?

Ik zie het vele, vele leed dat mensen dieren aandoen: ze gevangen zetten, ze steeds maar weer jongen laten krijgen om hun melk, hun vlees, hun huid, hun eieren te kunnen inpikken. Ze doden, voor de lekkere trek, bij ‘overlast’ of voor ‘natuurbeheer’ of, ook een mooie, voor de ‘sport’… er is altijd wel een term beschikbaar om de daad te duiden. En ik begrijp het niet, dat dit maar door kan gaan. Dat niet gezien wordt hoeveel pijn deze medeschepselen wordt aangedaan, dag in, dag uit.

Dat dit alleen maar gezien wordt door een relatief kleine groep mensen, die dit leed machteloos met zich meedragen en er zo weinig aan kunnen doen.

Ik begrijp het niet. Ik begrijp er niets van en het maakt me vreselijk verdrietig. Er is geen deken groot genoeg om deze ellende af te dekken of uit mijn hart te weren. Ieder dag opnieuw ontwaak ik en weet ik dat deze hel nog steeds bestaat.

Dieren voelen, dieren kennen angst, eenzaamheid en pijn. Dieren hebben nagenoeg dezelfde instincten als mensen. Ze zorgen voor hun jongen, ze willen leven en ze houden van de zon.

Dieren zijn geen dingen en ze zijn ook niet ons bezit.

Kan iemand het mij uitleggen? Hoe kan het dat iemand die zijn hond of zijn kat als zijn kind of beste vriend beschouwt, wel zonder enig nadenken een ander dier opeet? Hoe kan een mens geld geven aan instellingen die dieren redden en zelf -bijvoorbeeld -gaan vissen? Waar komen die blinde vlekken toch vandaan?  Hoe kan het dat mensen geloven dat ze de melk van een ander dier nodig hebben voor hun eigen gezondheid?

Waarom kan het mensen zo weinig schelen?

WAAROM KAN HET MENSEN ZO WEINIG SCHELEN??

 

Je zult maar een koe zijn…

Van de week stond er een Te Gast in de Leeuwarder Courant van Dini Commandeur. ‘Je zult maar een otter zijn’, heette het. Commandeur verzet zich in haar artikel tegen het uitzetten van otters ‘in het wild’. Hoezeer ik ook op deze dieren gesteld ben, ik ben het 100%  met haar eens dat het opnieuw uitzetten van- en krampachtig trachten  otters te vrijwaren van menselijk geweld (wat verkeer toch is) nauwelijks dierenliefde te noemen is. Het is gewoon een vorm van eigenbelang.

In dezelfde krant van afgelopen week – op de pagina’s ‘Economie’- een trots getint artikel over het feit dat  ‘Fokbedrijf CRV* een nieuw kernfokbedrijf bouwt bij Werpsterhoek’  en daaronder, iets kleiner,’ ‘Veeverbeteraar CRV naar China’.  Economische hoogstandjes en slimme menselijke uitvindingen? Nee hoor: (meer) geld verdienen over de ruggen van weerloze dieren! Eigenlijk verhalen ook dit soort berichten ons over de doorgeslagen -en door  eigenbelang gedreven –   gekte rond dieren. Tracht men de otters nadat we ze zelf hebben uitgeroeid met man en macht ‘terug te toveren’, de dieren die zich gemakkelijker laten beheren, melken we zonder schaamte letterlijk massaal uit. Het artikel handelt over de techniek van spermaverbetering en eicellen en overplaatsen van foetussen in baarmoeders… alsof het over mechanische handigheidjes gaat. Geen woord over de dieren zelf of wat dit gehannes bij deze soort aanricht. Men doet maar met die dieren en men is er nog trots op ook. Er wordt gesjoemeld met levende wezens, die hun eigen gevoelens hebben en vreugde, angst en eenzaamheid ervaren, maar het gaat alleen om (meer) geld verdienen en om ‘topstieren te fokken met een gunstige vererving op het gebied van melkproductie, vruchtbaarheid en gezondheid..’ Wat gebeurt er ongeveer met een koe daar?  Ze krijgt hormonen ingespoten waardoor er een superovulatie ontstaat, waarna  de eicellen uit haar baarmoeder gespoeld worden. Iedere vrouw kan zich ongeveer voorstellen hoe dat moet voelen. Het is een buitengewoon onaangename behandeling. Oogst men niet genoeg eicellen, dan herhaalt men deze behandeling gewoon. Aan de koe wordt niets gevraagd, maar reken maar dat ze zich ellendig voelt…. Maar daar wordt niet naar gekeken. Er moet geld verdiend worden. De eicellen worden van de eierstokken afgezogen met een scanner en een naald. Kunt u het zich voorstellen?

Ik word beroerd van dit soort berichten, maar gelukkig ben ik allang de enige niet meer en groeit de weerzin tegen deze grootschalige en dieronterende praktijken. Iedereen die dit weet, gaat nadenken!

Er is een pluspunt: de industrialisering en uitbuiting van dieren gaat zich uiteindelijk waarschijnlijk definitief  tegen ons keren, zoals ook op dit moment alweer in de vorm van besmettelijke vogelgriep, waarvan de schuld gretig bij trekvogels wordt gezocht, terwijl het uitsluitend door menselijk (mis-) handelen komt. Zet duizenden toch al zwakke dieren bij elkaar in grote stallen en je kunt erop wachten.

Je zult maar een koe zijn,  of een stier, of een schaap of een eend, of een kip of een konijn of een geit…  of een otter… Kijk uit voor de mensheid!

Annemarie van Gelder

*CRV staat voor: internationale onderneming op het gebied van rundveeverbetering. Hieronder wordt verstaan: de ontwikkeling, productie en verkoop van genetische producten en informatieproducten, maar ook dienstverlening, zoals fokkerij- begeleiding, melkproductieregistratie en kunstmatige inseminatie.

Kijk ook maar eens op hun site: er wordt grof geld verdiend in deze branche, over de ruggen van miljoenen dieren die NIETS te kiezen hebben. Ik vind het pure Holocaust!

https://www.crv4all.nl/

Weblog van Annemarie van Gelder