Van ijsschots naar ijsschots

Vier weken morgen. Het zijn de langste en de kortste weken in mijn leven. Ongeloof en wanhoop strijden om voorrang. Ooit vertelde een vrouw die weduwe geworden was, dat ze in de luttele minuten van slapen naar ontwaken soms van niks wist en dat dan het besef van het overlijden van haar man tot haar doordrong en dat het iedere keer weer de bodem onder haar leven wegsloeg. Ik heb dat niet. Ik weet het steeds, het hangt als een grote zwarte zware deken om mij heen en ontneemt mij met regelmaat de adem. Als ik slaap (als ik al slaap) en als ik wakker ben.

Het ergste is Franks verpletterende afwezigheid. Als iemand overleden is, dan weet je verstand dat hij of zij weg is, maar je gevoel kan er niets mee. Want iemand is er nog wel. In zijn spullen, in de beelden die op je netvlies gebrand staan. Ik zie Frank overal in huis, in de keuken, in de kamer in zijn stoel, in zijn kamer, in de badkamer, in ons bed. Ik zie al zijn gezichtsuitdrukkingen, al zijn verschijningsvormen: gezond, ziek, moe, lachend, verdrietig, boos. Ik zie zijn ogen, ik voel zijn aanwezigheid en tegelijkertijd is hij stomweg weg. Als in rook opgegaan. Hij IS in rook opgegaan. Ik moet niet denken aan dat cremeren. Een lichaam doet er gemiddeld 70 minuten over om te verbranden, heb ik gelezen. Ik denk aan hem, aan zijn mooie grote lichaam en ik wil er niet aan denken dat hij verbrand is. Ik schud het van me af.

We doen dit immers met al onze doden: verbranden of in de grond. Dat vind ik ook iets vreselijks, verteren in de grond, wormen in je oogkassen. Ik denk liever niet aan dat cremeren, maar ergens op de achtergrond verschaft het mij de zekerheid dat Frank er echt niet meer is. Dat de man in het lichaam die hij was verbrand is en -dus-echt weg is. Dus niet meer terug kan komen. Nooit meer. Dat besef is zo angstaanjagend dat het af en toe gewoon niet te verdragen is. Ik zit in de auto en het overvalt me. Ik moet dan naar adem happen, golven van misselijkheid slaan door me heen. Ik moet langs de kant van de weg gaan staan en de implosie in mijn hoofd zien te overleven. Zo voelt het. Dat het niet te handelen is. Ik schreeuw zijn naam: Kom terug!

Maar na vier weken weet ik dat het niet helpt en dat het nooit zal helpen. Na vier weken weet ik ook dat dit geen verdriet is dat ik snel kan gladstrijken. Het is klunen, het is springen van ijsschots naar ijsschots en zelden rust of veiligheid kennen. Ik moet het aanvaarden en laten komen en het enige wat ik kan hopen is dat ik eraan wen en dat het minder scherp wordt. Want het is onontkoombaar. Als een zware en ernstige ziekte waarvan niemand weet hoe het voelt, behalve de mensen die het zelf meemaken. Ik ben gezegend dat ik een paar ‘medepatienten’ ken. Mensen die aan een half woord genoeg hebben. Die zeggen: ‘Oh, zit jij nu daar in het proces?’ zoals Ingrid. Die alleen knikken als ik jammer en mijn hand pakken -en ik die van hen, zoals Miriam. Die mij nuttige boeken sturen, zoals Caroline. Of die mij regelmatig appen, zoals Ger, net als ik op instorten sta en me dat steuntje geven om wat komen gaat met open vizier tegemoet te treden. Want we zijn er met zijn allen nog lang niet. Rouwen om je overleden maatje is hard werken.

Annemarie

Een pil of een drankje

Het is zondagmiddag. Ik ben alleen thuis. Vanmorgen gewandeld met vriendin Jitske en de honden. Daarna ben ik op de koffie geweest bij vakantieburen. Zowel Jitske als de buren lieten me praten, praten over Frank, over zijn sterven en over hoe ik me voel.

Toen ik weer thuis was, had ik het gevoel ‘in control’ te zijn.

Frank is nu drie weken en een dag dood en ik houd mezelf voor dat ik er goed mee om ga.

Dat ik mezelf manage (heb mezelf voor fitness opgegeven- nu al geen zin meer in) en in staat ben om mezelf en de gevoelens die me af en toe overweldigen de baas te blijven.

Ik doe klusjes in en om het huis, zie je wel, ik ga het redden.

Wel gek dat de telefoon vandaag helemaal niet gaat. Dat er niemand langskomt of mailt. Frank is pas drie weken dood. Denken mensen dat ik het nu al wel red?

En dan komt het: de wanhoop. Het leven alleen zonder hem. Dit is het dus. Zijn gezicht nooit meer zien, zijn stem nooit meer horen. Waar is hij? Welke idioot doet mij dit aan en waarom?

Wat heb ik misdaan? Ik hield van hem, ik heb zo goed voor hem gezorgd al die jaren en is dit nu mijn straf? Zoveel pijn en verdriet?

Ergens had ik kennelijk het idee dat de jaren hiervoor, die vier jaar van kanker, angst en pijn, mij voorbereid hadden. Dat ik nu ook een beetje rust zou vinden, nu die angst voor zijn sterven voorbij is.

Maar het tegendeel is waar en als ik de e-mails lees die ik van mede-weduwen heb ontvangen, dan zie ik dat dat ook bij hen -en nog na lange tijd- het geval is.

Van zo veel mensen hoorde ik dat ze er zouden zijn als ik ze nodig heb.

Maar hoe werkt dat? Wie bel ik op op zondagmiddag? En wat vraag ik dan? De zondag is bij uitstek zo’n echtgenotendag. Samen wandelen, of bezoek ontvangen of ergens heen. Samen.

Wat zou ik moeten zeggen? ‘Mag ik even bij jullie langskomen?’

Ik zie mezelf al zitten ergens op de bank, mijn tranen inslikkend en inbreuk doen op de privacy van een ander. En -toch – niet getroost kunnen worden, omdat niemand me kan geven waaraan ik zo’n behoefte heb: de veiligheid van mijn eigen echtgenoot, het gewone van samen thuis zijn, van het gewone samen ons leven leiden.

Was er maar een pil of een drankje om deze pijn te dempen.

Een zondagmiddagpil.

Heb je advies? Laat het me weten!

Annemarie

Vooral RAAR

 

Ik moet af en toe op Franks computer, voor gegevens, mails of contacten. Zijn computer staat op zijn kamer en ik zit op zijn stoel. Ik scroll door zijn persoonlijke zaken en voel me een indringer. Wij zaten nooit op elkaars computer!

Op zijn bureau lag een bloknootvelletje waarop -deels onleesbare- notities stonden, van dingen te doen, dingen uit te zoeken, te schrijven. Ik heb getracht het te ontcijferen: hij had nog plannen terwijl hij wist dat hij stervende was. Ik heb het papier laten liggen, het was van hem, dus ik moest eraf blijven, maar vandaag heb ik het weggedaan en hardop gezegd: ‘Dat komt er niet meer van, jongetje.’

Verstandelijk weet ik dat hij dood is: ik stond erbij en keek ernaar, maar gevoelsmatig is het alsof die informatie niet in wil dalen, niet in KAN dalen. Het is domweg niet te bevatten. Wat is dood? Vijf jaar geleden  lieten we mijn overleden moeder cremeren, drie maanden later volgde mijn vader. Ze waren oud en ze waren op. Ik had er vrede mee.

Maar het echt bevatten?

In mijn dromen figureren ze regelmatig en zijn ze allebei van onbestemde leeftijd, veertig, vijftig, zestig misschien, maar nooit zo oud als ze waren toen ze stierven. In mijn dromen ben ik nooit verbaasd om ze te zien, want kennelijk zijn ze emotioneel nooit weggegaan.

Frank figureert -nog- niet in mijn dromen. Hij beheerst mijn gedachten wel dag en nacht. Soms lijkt het alsof ik helemaal niet weet wie hij was en hoe hij was, het is alsof ik wel beeld krijg, maar het maar niet scherp kan stellen. Waarom zie ik hem niet goed, terwijl ik zo vaak en zo intens naar hem gekeken heb? Zelfs al die foto’s die ik van hem heb, geven niet goed weer hoe hij in werkelijkheid was. En hoe klonk zijn stem? Toch durf ik de weinige filmpjes die ik van hem heb, nog niet te bekijken. Ik zoek hem tussen zijn jassen, in zijn kledingkast snuffel ik aan zijn truien en ik verplaats niets, want opnieuw ervaar ik het als het schenden van zijn privacy.

Het is vooral heel raar, dit gevoel.

Raar is echt het enige woord dat ik ervoor kan bedenken. De constante afwisseling van dapperheid, angst, weerzin, paniek, uitputting, reddeloosheid en -toch- ook iets van hoop.Gisteren at ik bij vrienden. De vriend zei dat ik er nu een ‘stuk rustiger’ uitzie dan in de periode dat Frank ziek en stervende was. Franks ziekte putte me uit: de zorg voor hem, maar vooral mijn machteloosheid bij zijn pijn en zijn verdriet. Nu hij niet meer lijdt, krijg ik kennelijk enige rust. Maar zelf merk ik vooral hoe vreselijk moe ik ben van vier jaar kanker.

Mijn gevoelens liggen in een soort spagaat: ik mis hem, maar niet zijn ziekte. Ik tracht hem terug te halen in mijn herinnering zoals hij was voordat het noodlot toesloeg. Maar wanneer sloeg dat noodlot eigenlijk toe? Oude notities bewijzen me dat hij al ruim  voordat we wisten dat hij kanker had,  rare klachten had. Hoofdpijn, pijn in zijn benen en in zijn rug, een burnout? Het zijn gevaalijke gedachten, want dan krijg je ‘hadden we nou maar…’- overwegingen. ‘Hadden we nou maar eerder aan de bel getrokken’, ‘hadden we nou maar eerder op bloedonderzoek aan laten dringen’.

In mijn hoofd hoor ik Franks stem: ‘Dat zijn zinloze gedachten. Het is jammer dat het zo gelopen is, maar zo is het leven.’ En, ook een mooie: ‘Van leven ga je nu eenmaal dood.’

Annemarie

Thuis

Van verhalen van lotgenoten op internet heb ik begrepen dat de weekeinden voor weduwen en weduwnaars vaak het allermoeilijkst, want eenzaamst, zijn.  Voor mij- na twee weken- is dit nog niet erg aan de orde, maar ik merk wel dat de aandacht en de telefoontjes nu al beginnen te luwen. Er komen nog kaarten, maar (logisch) veel minder dan in het begin, en er wordt nog wel gebeld, maar alleen door de echte trouwe vrienden.

Vroeger, toen ik dus zelf nog geen ervaringsdeskundige was die een partner verloren heeft, schrok ik ervoor terug te bellen of langs te gaan bij een bekende die weduwe of weduwnaar geworden was.  Dat durfde ik overigens ook niet bij iemand die getroffen was door een ernstige ziekte. Op de een of andere manier dacht ik -en daarin sta ik niet alleen- dat mensen die heel erg ziek zijn geen bezoek waarderen of kunnen verdragen.

Wij merkten dit ook bij anderen, toen Frank ziek was. Bezoek kwam bijna op de tenen naar binnen, zachtjes fluisterend achter een bos bloemen. Als Frank dan monter in zijn stoel zat en vrolijk ‘Goededag’ zei, schrokken ze zich vaak een hoedje. Was dit een stervende?

Ik herinner me dat ik een keer boodschappen ging doen bij de supermarkt, kort nadat bekend was dat Frank kanker had. Ik kwam een kennis tegen. Ze keek me met grote ogen aan en ze vroeg: ‘Doe jij boodschappen?’ Ja, ik deed boodschappen, want ook al was Frank ernstig ziek, we aten nog wel.

Haar reactie verbaasde me niet. Ook ik zou zoiets gezegd kunnen hebben.

Zieke mensen liggen thuis stilletjes en bleek in bed en de familie groept er fluisterend en zachtjes snikkend omheen. Dat dacht ik. Maar toen het bij ons toesloeg, was dat niet zo, want het leven gaat ook gewoon verder. De ziekte wordt bestreden en intussen wil je niet anders dan dat alles hetzelfde blijft.

Nu ik alleen achter ben gebleven, ervaar ik dezelfde soort voorzichtigheid in mijn omgeving. Die is zowel hartverwarmend als bevreemdend. Zo word ik bijvoorbeeld ook vaak ‘lieverd’ of ‘schat’ genoemd- wat ik nooit genoemd werd, want ik ben geen lieverd of schat- en word ik ook met ogen vol mededogen -of zelfs met tranen- aangekeken.

Alleen mensen die me heel goed kennen of al vaker met dit soort bijltjes gehakt hebben, blijven tegen me doen zoals ze altijd al deden en bellen, mailen of komen.  Anderen durven het misschien niet, omdat ze bang zijn me te storen in mijn diepe rouw.

Ik had het gehoord van andere weduwen, maar nu het mezelf overkomt, realiseer ik me hoezeer de eenzaamheid van de achterblijvende juist door die voorzichtigheid versterkt wordt.  Een vriendin van mij is Hindoestaanse en zij verbaast zich regelmatig over de afstandelijkheid van (veel) Nederlanders. Bij haar in Suriname was het huis van een stervende of zieke nooit leeg. Buren en familieleden kwamen eten brengen en bleven waken en lieten de weduwe of weduwnaar zeer zeker niet alleen.

Het lijkt wel alsof je als nabestaande nog eens extra gestraft wordt met eenzaamheid als je partner is overleden. Kijk maar eens op van die fora voor weduwen en weduwnaars! Mensen verkommeren in hun verdriet en in hun lege huizen. Er wordt omzichtig met ze omgegaan en ze worden intussen gemeden als de pest, alsof eenzaamheid een besmettelijke ziekte is.

Tegelijkertijd is het lastig op te lossen, want wat dan wel?

Ik denk nu regelmatig met spijt terug aan mijn schoonmoeder, die haar man op 63-jarige leeftijd verloor aan een aneurysma. We waren er domweg niet voor haar. We hadden jonge kinderen, we woonden ver weg… Maar het enige wat we hadden moeten doen, was gewoon regelmatig een nachtje bij haar blijven slapen en in haar ritme met haar meeleven, zodat ze thuis kon zijn in vertrouwd gezelschap zonder op te hoeven zitten en bezoek te ontvangen.

Gelukkig heeft mijn zoon Merlijn dat afgelopen weekeinde voor mij gedaan.

Mijn huis was weer even thuis.

En dat is momenteel het enige wat mij troost biedt, want het is hier galmend leeg nu Frank er niet meer is.

Annemarie

Harnas

Morgen (zaterdag) twee weken geleden stierf Frank. De wereld stond stil, dacht ik, maar op de een of andere manier is het leven verder gegaan en vind ik mezelf avond na avond alleen terug in ons huis.

Het is ongekend leeg zonder hem. Ik had het idee dat ik wel een beetje aan zijn afwezigheid gewend zou zijn door al die ziekenhuisopnames van het afgelopen half jaar, maar wat heb ik me vergist!

De ziel is weg uit huis. Ieder uur groeit het besef sterker: hij is er niet meer.

De laatste jaren waren we door zijn ziekte extra sterk op elkaar aangewezen. We deelden alles: de gedachten over zijn ziekte, onze angsten, onze verwachtingen, maar ook de kleine dingetjes, over mensen die we gesproken hadden of boeken die we lazen. De kinderen.

Na de afscheidsceremonie afgelopen dinsdag – in een vegetarisch restaurant, het was hartverwarmend- kwam ik thuis en wilde hem vertellen over alle mensen die geweest waren.

Maar dat kan niet meer.

33 jaar hebben we dag in, dag uit met elkaar gedeeld en zoveel meegemaakt en gepraat en nu is hij gewoon weg. Poef, verdwenen uit mijn leven. Mijn verstand kan er niet bij.

En mijn gevoel al helemaal niet. Alles, maar dan ook alles is anders. En tegelijkertijd ervaar ik een idiote soort opgewektheid alsof Frank elk moment achter een deur of boom tevoorschijn kan springen en keihard zal roepen: ‘Gefopt!’, want een groot deel van mij gelooft gewoon niet dat hij echt weg is. Onbewust blijf ik paraat. En die paraatheid is uitputtend, want wat ben ik moe en wat kan ik slecht slapen.

Wat helemaal akelig is, zijn de huilaanvallen. Ze komen op als interne orkanen in mijn schedel en persen dikke tranen uit mijn ogen. Als ik in de auto zit, moet ik de auto aan de kant zetten, want autorijden kan ik niet meer. Er kan niets meer. Mijn hele systeem ligt lam en ik wil alleen Frank. Hier en Nu. Terugkomen! Bij Me Blijven!

Maar hij komt niet.

Ik veeg de tranen weg, maak een verontschuldigend gebaar naar een geirriteerde medeweggebruiker en vervolg mijn weg. Het overkomt me herhaaldelijk, niet alleen in de auto, maar ook thuis, in een winkel en zowel overdag als ’s nachts. Als mensen aan me vragen hoe het gaat en als ik dat dan vertel, moet ik mezelf onderbreken, want geheid dat ik weer ga huilen.

Een vriendin van me, die negen maanden geleden weduwe werd, zegt dat ze zichzelf ‘harnast’ en dat merk ik nu ook aan mezelf. Ik zet mezelf schrap. Veel mensen beweren dat huilen goed is, dat het ‘eruit moet’, maar op de een of andere manier wil ik er niet aan. Misschien komt het ook doordat ik het nog steeds niet kan geloven. Het huilen zelf klinkt onschuldig, maar het is het wanhopigste dat ik ooit heb ervaren. Mijn wereld, mijn thuis, is weg. Als ik dat gevoel toelaat, zakt de bodem onder mijn bestaan weg en zak ik in een onmetelijk diepe put. Het is doodeng. Dat wil ik niet, ik ben er bang voor. Dit verdriet, deze rouw, is het ergste liefdesverdriet dat ik ooit heb meegemaakt.

Ik zet mij schrap. Ik heb de dag gered, gewandeld met Jitske en de honden, het bed verschoond waarin Frank nooit meer zal slapen en bij Rob en Dorien gegeten.

Nu de nacht in.

Annemarie

‘Ik vertrek’

Gisteravond laat plaatste ik op dit blog een hartenkreet over de dood van mijn man, Frank van Genne, die ons op 16 september jongstleden heeft moeten verlaten.

Frank wilde nooit dat ik ‘het net’ opging om onze ellende te spuien en zelf houd ik ook beslist niet van alle ‘emo-tv’ en opgeklopte verhalen in andere media over persoonlijk leed.

Toch heb ik besloten, na de reacties op mijn ‘proefstukje’ van gisteren (dat ik vrij impulsief de wereld inzond), dat ik mijn eigen rouwproces en de verwerking van Franks ziekte wel ‘openbaar’ ga belijden.

Niet omdat ik snak naar aandacht of sensatie, maar omdat ik zoiets, in de situatie waarin ik zelf nu verkeer, ook graag van anderen zou willen lezen. Ik heb veel gezocht op internet naar hoe mensen rouwen en het beleven, maar vooral naar hoe mensen met een groot verlies leren leven en weer enige levenslust krijgen. Er is volgens mij geen pasklare oplossing. Iedereen beleeft het op zijn of haar eigen manier en heeft andere behoeftes. Er zijn mensen die zich terugtrekken en de eenzaamheid opzoeken, er zijn mensen die gaan sporten of tuinieren of…

Ik wil alleen maar schrijven. Daarom start ik dit verslag, voor mezelf, maar ook in de hoop dat anderen er iets aan kunnen hebben, onder het door vriendin Jitske aangedragen motto ‘delen is helen’.  Ik ga trachten zo eerlijk mogelijk te zijn. Tevens wil ik jullie, mijn lezers en lezeressen, vragen om vooral ook te reageren en me te helpen de zware weg die voor me ligt enigszins te vergemakkelijken.

Frank van Genne, sinds 33 jaar mijn echtgenoot en vader van onze kinderen Barbara en Merlijn, is aanstaande zaterdag twee weken geleden overleden. Hij was 62 jaar. In juni 2013 zijn hij en ik naar een door hemzelf te verbouwen huis in Frankrijk vertrokken, om daar ‘van de herfst van ons leven te gaan genieten’. Kort voor ons vertrek werd ik gebeld door een redacteur van het programma ‘Ik vertrek’ omdat gedacht werd dat wij met ons te starten avontuur wellicht voor leuke emo-tv konden zorgen. Toen duidelijk was dat wij geen eigen zaak wilden starten en er geen financiële buitelpartijen te verwachten waren, werd afgezien van verfilming.

Jammer voor ‘Ik vertrek’. Ons verblijf in Frankrijk met al na drie maanden de dramatische wending van een aftocht naar de Urgence van het ziekenhuis in Limoges en de verpletterende diagnose van kanker had zeker kijkers getrokken. Zoiets verzin je niet!

PS Gisteren heb ik gehuild als een hofhond. Ik wist niet dat ik dat kon. Late telefoontjes van Dorien, Marian en Maarten trokken me op het droge. Vandaag heb ik het redelijk volgehouden, dankzij vriendinnen Janneke (gewandeld met honden), Marian (thee mee gedronken) en Jitske (bij gegeten). Mij terugtrekken is duidelijk voor mij -nog?- geen optie.

Tot morgen,

Annemarie

Rauwe rouw

Twaalf dagen ben je nu dood.

Ik moet het steeds tegen mezelf zeggen: Frank is dood. Ik stond erbij en zag het gebeuren; het gezicht dat eerst nog pijn leed, veranderde in een masker. Onmiddellijk.

Bij ons eerst opluchting: je was verlost van de ellende. Je lijf vol kanker was bevrijd.

Ik heb je ogen gesloten en een handdoek om je gezicht gedaan, zodat je mond niet open bleef staan. Ik heb je aangekleed. Je was er nog.

We hebben je lichaam laten cremeren en we hebben je leven gisteren gevierd met vrienden en familie. Wat zijn er een mooie verhalen over je verteld! De foto’s, de dingen die je zei en de dingen die je vond. De dingen die je wist. Wat wist je veel.

Pas vandaag is het huilen begonnen om -lijkt het- niet meer te stoppen. Herinneringen buitelen door mijn hoofd. Ik zie je steeds weer sterven. Steeds opnieuw zie ik hoeveel pijn je had en hoe graag je ‘eruit’ wilde. Hoe je het leven op het laatst bijna haatte.

Het huis is nog nooit zo stil geweest nu jij er niet meer bent. Toen je ziek was en vaak in bed in je kamer lag te slapen en ik op mijn tenen heen en weer liep, was het nooit zo stil. De ziel is uit het huis. Na je herdenking wilde ik het je vertellen, wie er geweest waren, wat ze gezegd hadden. Als de telefoon gaat, denk ik dat jij het bent. Ik hoor mijn mobiel piepen en ik denk- heel even -dat jij me appt, zoals zovaak de laatste tijd, vanuit het ziekenhuis. “Voel me niet zo goed’. “Ben alweer flauwgevallen’. “Ik houd van je”. “Ik wil naar huis.’

Je geloofde absoluut niet in een leven na de dood, of in reincarnatie of wat dan ook. ‘Als ik dood ben, ben ik echt weg.’ “Ik ben niet bang om dood te gaan, maar ik vind het wel erg dat ik er dan niet meer ben om je te troosten.’

Maar waar ben je?

Ik zou er alles, maar dan ook alles voor over hebben om je terug te halen. Nog steeds doodziek desnoods, maar in elk geval weer bij me.

Zo bizar, gisteren was het vier jaar geleden dat de diagnose werd gesteld: Kahler.

Eergisteren was het vier jaar geleden dat ik je naar de spoedeisende hulp bracht in het ziekenhuis in Limoges. Je was in een week tijd tien kilo afgevallen. Je viel ’s nachts flauw op de wc.

Het lijkt een eeuw geleden. Vier jaar -bijna- vier jaar bijna heb je echt alles, maar dan ook alles laten proberen om het tij te keren. En maand na maand werd duidelijk dat je het niet ging winnen.

Ik ben zo moe, Frank. Moe van alles, de angst die ons vier jaar- bijna – geregeerd heeft. Als ik ’s avonds ging slapen, maalde het door mijn hoofd: hij heeft kanker. Als ik ’s ochtends wakker werd dacht ik : Hij heeft kanker. Het vulde mijn hele systeem, mijn leven. Soms dacht ik, bij de zoveelste crisis, dat het misschien beter was als het maar afgelopen zou zijn. Dat verder lijden niets toevoegde. Maar je ging er steeds weer voor. In ziekenhuizen blijven ze middelen geven totdat je zelf nee zegt en jij zei geen nee. En ik had je liever ziek dan niet.

Nu zie ik je steeds voor me, met je opgeblazen gezicht en je steeds meer scheefzakkende lichaam, je aarzelende tred en je verdrietige ogen. Hoe moe je was. Ik dacht dat ik voorbereid was op je dood. Maar het vedriet om je sterven is veel en veel groter dan ik ooit had kunnen bevroeden. Ik herinner me hoe je was, voordat die kanker je te pakken kreeg. Hoe sterk je was en groot en rechtop. Je was zo’n mooie man.

Vier jaar van wanhoop en nu is het nog veel erger, want je bent er echt niet meer.

Hoe ga ik hier in godsnaam mee om?

Er moet wel iets te schieten blijven

Wie zich verdiept in de vos – vulpes vulpes – leert dat dit dier in principe solitair leeft en weinig soortgenoten verdraagt in zijn (jacht-)territorium. Jongen moeten vertrekken als ze geslachtsrijp zijn en hun eigen territorium zoeken. Vinden ze dit niet, dan worden ze door soortgenoten gedood – of sterven van honger, stress of ziekte.

Vossen die overlijden en een territorium achterlaten, worden snel opgevolgd door een soortgenoot. Oftewel: de natuur heeft dit prima geregeld: er worden zoveel vossen geboren als een (voedsel)gebied toelaat.

De onafgebroken jacht op vossen leidt er uitsluitend toe ze steeds grotere nesten krijgen; er leeft geen vos ouder dan vier jaar. Nu staat de provincie Friesland toe om ook nachts vossen te bejagen in beschermde weidevogelgebieden, met lichtbakken. Afgezien van wat dit voor de broedende vogels betekent, zou de provincie beter moeten weten. Predatie van weidevogels door vossen is verwaarloosbaar ten opzichte van het menselijk handelen (industriële landbouw, vroeg maaien en grondwaterpeilverlaging) dat de weidevogelstand gigantisch bedreigt. Ook de groei van aantallen ganzen is hier een gevolg van. Zolang politici hun oren laten hangen naar de mening van mensen die uitmoorden als oplossing zien voor elk probleem in de natuur, duwen ze diezelfde natuur alleen dichter naar de afgrond.

Jagers weten best dat hun ingrijpen in het ecosysteem uitsluitend tot gevolg heeft dat soorten meer nakomelingen krijgen. Want er is ruimte en er is voedsel. Als jagers stoppen met jagen, kan er tijdelijk een vermeerdering van dieren zijn, maar de natuur lost dat zelf op. Wij kunnen enige ‘overlast’ van wilde dieren toch wel accepteren? Zij moeten -veel meer- overlast van ons ook accepteren. Wat is er op tegen om in bosrijke gebieden de maximumsnelheid te verlagen? Dan rijd je 60 km in plaats van 100 km. Gun die dieren ook hun leven!

Als wij iedere confrontatie met wilde dieren willen voorkomen, dan zullen we ze wereldwijd moeten uitroeien – helaas zijn we daarin al op grote schaal geslaagd. Het uitsterven van diersoorten is op aarde nog nooit zo snel gegaan.

Wilde dieren in Nederland hebben weinig ruimte en vrijheid, overal zijn mensen. De meeste jagers worden voornamelijk door ‘hobbybeheer’ gemotiveerd. Voor hen niets spannender dan het omleggen van een slimme vos. Daarom ook ‘redden’ jagers reekalfjes uit maisvelden voordat de hakselaar komt, daarom leggen ze voer voor wild neer in barre tijden.

Er moet wel iets te schieten blijven.

Annemarie van Gelder

Sprookjes

Over de Zwarte Pietendiscussie voel ik enige plaatsvervangende schaamte. Waar GAAT dit over? De herkomst van de hulpjes van de Sint is onduidelijk en ook hun aantal en uiterlijk zijn dikwijls veranderd de laatste eeuwen. Als het medemensen kwetst dat de huidige Pieten zwart zijn, dan doen we toch andere kleurtjes? Kinderen die nu klein zijn, weten niet beter.
Wat ik raar vind in deze hele ‘discussie’ is dat niemand het sinterklaasfeest zelf ter discussie stelt.
 
Ik herinner me mijn eigen teleurstelling, lang geleden, toen mijn moeder me vertelde dat Sinterklaas niet bestond, hoewel het de cadeauverschillen onder klasgenootjes wel verklaarde.
Toch vertelde ik onze kinderen, toen ze klein waren, hetzelfde sprookje. Ik wilde geen spelbreker in dit nationale kinderfeest zijn. Ook ik genoot van de verwachtingsvolle spanning van onze kinderen.
Tegelijkertijd veroorzaakte het stress, want al weken van te voren bestookten media ons met speelgoed waar Sint kinderen mee kon verwennen. Onze kinderen zagen het schip met goud binnenlopen en maakten verlanglijstjes. Ik legde uit dat Sint al die cadeaus niet kon geven, want als hij alle kinderen iets wilde geven, was zijn geld snel op… Maar hoe verklaarde ik dan dat een jongetje uit de klas het duurste cadeau gewoon in zijn schoen gekregen had?
 
Ik was opgelucht toen hun sinterklaassprookje voorbij was, maar schrok ook van hun teleurstelling. Hoe hadden wij hen zo kunnen voorliegen? Doordenkend vind ik dat wij onze kinderen misschien teveel sprookjes vertellen. Dat ze alles kunnen worden wat ze willen, als ze hun best doen. Dat ze later iemand zullen ontmoeten die altijd en alleen van hen houdt of zelfs dat er een almachtige schepper is die voor ze zorgt. Dat het niet erg is om vlees te eten, want dieren vinden het helemaal niet vervelend om doodgemaakt te worden. Dat een tandenfee hun melktandjes spaart. We liegen ze nogal wat voor gedurende hun jeugd!
 
Van Sinterklaas weten we dat hij niet bestaat. Al die andere dingen weten we niet, het zijn sprookjes waarin wij misschien zelf graag geloven. Maar eigenlijk zijn het leugens die verwachtingen creëren die zeer zelden worden waargemaakt.
Misschien wordt het tijd om kinderen de waarheid te vertellen. Dat wij het ook niet zeker weten.
Het enige wat we wel kunnen doen, is liefdevolle, betrouwbare en veiligheid biedende ouders zijn.
Als kinderen die zekerheid hebben, zijn ze beter op hun leven voorbereid dan met welk sprookje dan ook.
 
Annemarie van Gelder

Wie zijn die jagers eigenlijk?

Via via ken ik een vrouw met wie ik het goed kon vinden. Mijn echtgenoot kende haar man via andere kanalen. De basis voor een vriendschap leek gelegd: ik nodigde ze uit om te komen eten. Vertelde wel dat ik iets vegetarisch zou bereiden, omdat wij geen dieren eten. Dat was geen probleem, zei de vrouw.

Na enig zoeken vonden we een geschikte datum. Maar toen ze vertelde dat ze mogelijk iets verlaat zouden zijn omdat haar man die dag ging (hobby-)jagen, heb ik de uitnodiging ingetrokken. Aan mijn tafel geen moordenaars! De vrouw verontschuldigde zich, ze vond het ook niet leuk dat hij dat deed, maar ja…

Als mijn echtgenoot zo’n ‘hobby’ koos, zou ik hem het huis uitjagen en hem nooit meer binnenlaten. Het zette mij wel aan het denken. Jagers zijn meestal onzichtbaar handelende, in groen gehulde types, die in groepjes opereren en áls je ze al ziet, zijn hun onder petten verborgen gezichten nauwelijks herkenbaar. Maar het zijn dus vaak mensen die we kennen. Zelf ken ik er ook een. Een aardig mens dat echt denkt dat ze iets bijdraagt aan natuurbehoud. Tegenwoordig jagen ook veel stadse jongedames, omdat het dankzij foute artikelen zoals in de Linda, een glamourachtig tintje heeft gekregen. Met modetips om ook nog aantrekkelijk ogend ‘ in de natuur bezig te zijn’.

Een klein onderzoekje lijkt aan te tonen dat ‘plezierjagers’ vaak artsen zijn, of werkzaam in de medische wereld. Ze hebben stressvolle en verantwoordelijke banen- en, niet onbelangrijk- een behoorlijk salaris, want jagen is duur! Hun vrije dagen gebruiken ze graag om ontspannend bezig te zijn in de buitenlucht. Bij het doden van reeën, konijnen, hazen en fazanten -en het allerliefst vossen, want dat is het mooiste- glijdt de spanning van hen af en – goed voor hun geweten- ze ‘leveren hun bijdrage aan het op peil houden van de wildstand’.

Wonderlijk toch dat mensen die op relatief hoog niveau een studie hebben afgerond, niet openstaan voor wetenschappelijke bewijzen dat het categorisch doden van wilde dieren uitsluitend toename van aantallen dieren veroorzaakt. Dood een vos en er komt onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats. Dood wilde ganzen en de achterblijvers leggen nesten met veel meer eieren. De enige echte oplossing voor ‘overlast’ door wilde dieren is ze wereldwijd uit te roeien, maar dat willen jagers ook weer niet. Hun jachtlust wordt dus voornamelijk gedreven door de behoefte ook volgend jaar weer wat te schieten te hebben…. Dat verklaart ook bijvoorbeeld dat jagers vaak voedsel voor hun prooien neerleggen als weersomstandigheden ongunstig zijn. Of dat ze meehelpen voorkomen dat wilde dieren aangereden worden of zelfs helpen reekalfjes te redden uit velden waar nietsontziende hakselmachines oogst binnen gaan halen.. Er moet wel iets te bejagen blijven!

Ik zou de namen en gezichten van deze zogenaamde weldoeners willen kennen. Ik zou willen dat ze zich openlijk presenteren, als ze vinden dat ze zoveel ‘goeds’ doen, dat ze zomaar, uit de goedheid van hun hart, weerloze dieren doodschieten. Angst en paniek veroorzaken door hun goed getrainde en kostbare jachthonden achter kansloze dieren aan te sturen die ze met een kogelregen ‘omleggen’. Zelfs gunnen ze ze soms nog een laatste kogel om ze ‘uit hun lijden te verlossen.’

Het schijnt dat iets van 90 procent van de Nederlanders tegen de hobbyjacht is. Moeten die allemaal machteloos toezien hoe een relatief klein groepje malloten dieren doodknalt die- in feite- van niemand en dus ook van ons allemaal zijn?

Volgens mij kunnen we wel iets doen. Vraag je specialist, je huisarts, je tandarts, je fysiotherapeut, je bakker, je slager(!), je groenteman, je belastingadviseur, je kapper, je cosmetisch chirurg.. of hij of zij jaagt. Is dat zo?

Zoek dan onmiddellijk een andere dienstverlener!

Ik voor mij hoef geen advies of behandelingen van iemand die bloed aan zijn of haar handen heeft!

Annemarie van Gelder

Weblog van Annemarie van Gelder