Comtoise

 

Bijna iedere nacht

om een uur of vijf

blijft de klok stilstaan

je weet wel

die hangstaart

van mijn ouders

die jij zo lelijk vond

maar toch wel ophing

omdat ik dat wilde

in de eetkamer

’s ochtends als ik binnenkom

zie ik het en hoor

ik hem niet

hé… hij staat weer stil

alweer rond vijven

hoe kan dat nou

de tocht?

De hond?

Een kat?

Ik zet de wijzers

op hun plek en

duw de staart op gang

het tikken vult de stilte

van jouw afwezigheid

deed jij het?

Doe jij dat?

Kan jij dat doen?

wil je me iets vertellen

met het stilzetten

van de klok?

Annemarie

Hoe meer we doden, hoe meer er komen

Maandagochtend, kwart over zeven. Ik word wakker van een  geweerschot, vlakbij. In het uur dat volgt, weerklinken regelmatig schoten.

Een jaar geleden had ik een confrontatie met een vijftal groengeklede mannen die in het natuurgebied hier oorlogje aan het spelen waren. En de vijand? Het ging om een vos, zei een van hen. De vos, beweerde hij, was ongeveer de schuld van alles: de teloorgang van het ecosysteem, misschien zelfs wel van de wereldvrede. Ik trachtte deze jongetjes met hun gevaarlijke speelgoed ervan te overtuigen dat het doodmaken van medeschepselen nog nooit iets opgelost heeft en dat het ook wreed was, maar het was duidelijk dat ze mij maar een raar emotioneel wijf vonden zonder kennis van het plattelandsleven. Ik begreep dat het zinloos is te praten met gewapende mensen en vooral dat ze niet openstaan voor argumenten van andersdenkenden. Toen ze wegliepen, grinnikte een van hen nog: ‘Die vos gaat eraan, linksom of rechtsom.’

En op deze maandagochtend zal er dus wel weer een aan flarden zijn geschoten. Nu lijk ik misschien een emotioneel mens zonder verstand van het plattelandsleven. Maar dat is niet zo. Ik weet dat de vos wettelijk een beschermde diersoort is, maar dat hij in praktijk op de landelijke vrijstellingslijst staat, zodat hij jaarrond zowel overdag als -in veel provincies- ’s nachts met kunstlicht bejaagd mag worden. Jaarlijks worden zo in Nederland ruim 15.000 vossen gedood, vanwege hun vermeende roofpraktijken, zonder dat financiële schade overigens een rol speelt.

‘Vossenplagen’, zoals bij muizen (en mensen!) bestaan niet, omdat vossen territoriumdieren zijn en elkaar verjagen. Zoals nagenoeg altijd in de natuur, worden geboorteaantallen gereguleerd door voedselaanbod. Als dat voldoende is, is er een normaal aantal nakomelingen. Bij weinig voedselaanbod zie je nesten kleiner worden. Als er veel vossen gedood worden door de mens, worden er steeds meer vosjes geboren, die gaan zwerven omdat ze verdreven worden door soortgenoten. Net als mensen passen vossen zich goed aan. Dan zie je patat-etende of in kippenrennen tekeergaande vossen, als mensen die in supermarkten ‘hamsteren.’ De enige natuurlijke vijanden van vossen zijn mensen en wolven, maar ziekten, parasieten en vooral soortgenoten maken hun leven onzeker, waardoor hun aantallen beperkt blijven.

Hoe meer vossen men doodt, hoe meer er geboren worden. Precies zoals bij ganzen en muskusratten, waar jaarlijks duizenden dieren op wrede wijze vermoord worden.

En wat raar toch dat het niet werkt!

Ik zei tegen die jagers dat alleen wereldwijd uitroeien de vermeende overlast van vossen kan stoppen. Maar dat willen ze ook weer niet. Er moet immers wat te schieten blijven.

Wat betekenen emoties in dat verband?

Wie geinteresseerd is, kan kijken op de site van de Faunabescherming, waar deskundige informatie over wilde dieren staat.

En wie gelooft dat kogels nooit een oplossing zijn, zoekt sowieso naar diervriendelijke manieren om met (de overlast van) medeschepselen om te gaan.

Annemarie van Gelder

https://www.faunabescherming.nl/

Een jaar

16 september 2018

Vandaag een jaar geleden ben je gestorven.

Om kwart over twee hield je op met ademen, na een verschrikkelijk zware tijd voor jou en voor je dierbaren.

Dat je zo ziek was en zou sterven, was ondraaglijk, maar niet te vergelijken met de leegte die ontstond toen je overleden was.

Ik heb je geroepen en gezocht, ik heb gebeden en geschreeuwd, ik heb gekrijst als een kind, ik heb nachtenlang in wanhoop wakker gelegen en zag de uren traag voorbijtikken.

Ik begreep het niet. Nog steeds niet.

Hoe kan een man als jij, zo groot en sterk, zo zelfbewust en slim, doodgaan? Hoe kan het dat de man die al meer dan de helft van mijn leven aan mijn zijde was, zomaar ineens is weggesneden?

Waar ben je?

Er zijn momenten dat ik me voorstel dat je terug komt, ongeschonden weer in de kamer staat. Dat ik je stem weer hoor. Je tegen me aan kan voelen. God, wat zou dat heerlijk zijn!

Maar je komt niet terug. Er is een gapend gat dat jij achterliet, ook al zie ik je voortdurend voor me, in de duizenden gedaanten waarin ik jou de jaren hiervoor heb mogen leren kennen.

Ik mis je zo, Frank. Al 365 dagen.

Op de een of andere manier is 16 september 2018 – vandaag- voor mij een ijkpunt geweest. Als ik alle dagen van het jaar een keer zonder jou zou hebben doorgemaakt. Herhaaldelijk heb ik gedacht -en ook oprecht gemeend- dat ik mijn leven zou beeindigen als ik me op deze dag nog steeds zo wanhopig zou voelen. Ik moest gewoon een soort deadline hebben. Dat ik het verdriet mocht en kon stoppen als het op die dag niet minder zou zijn.

Het is vandaag 16 september 2018. Het verdriet is niet minder. Maar ik wil niet meer dood.

Ik houd zielsveel van onze kinderen en hun partners, ik houd van onze dieren, van ons huis en onze tuin. Ik houd van de vrienden die ik heb en ik houd -weer- van het leven.

Vandaag vieren we jouw leven, met een groot aantal vrienden en om kwart over twee heffen wij gezamenlijk het glas op jou, op de man die je was en op onze herinneringen aan jou.

En Frank, ik ga nog even door als mij dat gegund is.

Ik zal altijd van je houden en ik blijf altijd met jou getrouwd.

En er zullen altijd dagen blijven dat ik om je huil, dat ik je mis en er geen been meer in zie, dat ik de dekens hoog over mijn hoofd trek en in bed wil blijven, maar ik beloof je dat ik ook de goede dagen ga opzoeken.

Ik weet dat jij dat in mijn plaats ook zou doen.

Annemarie

Kijk mij nou

24 augustus 2018

 

Kijk mij nou

Buiten hoost het

eindelijk

 

binnen stof ik af

muziek erbij

wie doet me wat

 

bijna achteloos

gaat mijn

doek langs je foto

 

en daarachter

de doos met as

van jou

 

Kijk mij nou

 

Annemarie

Pats

En dan pats

out of the blue

komt het weer

met verpletterend besef:

je bent dood

Gedachten ploppen op als gasbellen

ik weer ze met mijn handen

houd ze tegen met mijn verstand

ja ja, ik weet het, ik weet het

laat me nou maar

een beetje leven

een beetje dingen doen

net doen alsof het niet zo is

en dan pats

al ruim tien maanden,

het jaar nadert

de herinnering naakt

ik zie je gezicht

in die laatste uren

en dijken breken

stormen ontstaan

hagelstenen geselen

mijn hart

want je bent godverdomme

dood

Ravijn

Ik heb al een tijdje niets geschreven.

Niet omdat ik ‘eruit’ ben (het idee!), maar omdat de rouw zoals ik die beleef niet erg van vorm verandert. Het is een uur niet te harden en dan gaat het weer een tijdje.

Het komt en het gaat, maar het is nooit weg. Er hangt een wolk van verdriet om mij heen.

Bij iedere stap die ik zet, zie en hoor ik Frank. In 33 jaar samenzijn heb ik kennelijk zoveel beelden van hem in mijn geheugen opgeslagen, dat hij om mij heen blijft zweven. Ik heb er geen idee van hoe het zou zijn als ik dat gevoel niet zou hebben.

Maar er zijn momenten die ik blijf vrezen: als het ineens weer met verpletterend besef tot me doordringt dat hij DOOD is. Dat er -zoals hij dat zelf ongetwijfeld gezegd zou hebben- geen nieuwe beelden meer bijkomen. Die momenten zijn vreselijk, iedere keer weer. Ik zit in de auto en pats. Ik wandel met mijn honden en knak. Ik zak van het ene op het andere in een zwart gat, zo diep dat het mij de adem beneemt. Ik ben duizelig, vreselijk misselijk en het lijkt of ik leegloop als een ballon. Zijn dat nou wat men ‘paniekaanvallen’ noemt?

Je ziet waarschijnlijk echter niets aan mij. Ik ben gewoon een mevrouw met een bril die boodschappen doet, maar bij het schap met blikjes val ik in een ravijn. Ik staar in de richting van ingeblikte groenten en voel hoe ik maar blijf vallen. Met zoveel mensen die per dag overlijden, met zoveel mensen die in dezelfde situatie zitten als ik, zouden er toch theoretisch naast mij bij dit blikschap meer mensen moeten staan die dit ervaren?

Ik verman mij -of ik vervrouw mij- en focus op de blikjes. Kikkererwten. Altijd goed. Laat ik die maar meenemen. Het ravijn vervaagt, ik herstel me, maar houd me nog wel even vast aan een staander. Ik wil niet omvallen in een supermarkt. Er is niets aan de hand. Ja, mijn man is zeven en een halve maand geleden na een klote tijd en na een vreselijk sterfbed overleden, maar verder gaat het goed. Ik ben geamputeerd, mijn leven is gehalveerd, thuis wacht mij de leegte, die ik manhaftig tracht te vullen omdat ik weet dat Frank in mijn plaats zijn kans om te blijven leven ook gegrepen had. Het leven kan immers best mooi zijn. De tuin in bloei, jonge zwaluwen die uitvliegen, mijn eigen kinderen, mijn lieve vrienden en vriendinnen, mijn honden, mijn katten, mijn leven. Het is er nog. Maar het ravijn zal nooit verdwijnen. Ik zal erlangs blijven wankelen totdat ook ik erin verdwijn- net als iedereen. Memento mori.

Annemarie

Tussendeur

In juni 2013 vertrokken wij ‘voorgoed’ naar Frankrijk, in september 2013 bleek Frank kanker te hebben en in oktober 2013 zaten we in een huurhuis in Leek.

Begin februari 2014 trokken we in ons huidige huis: alles op de begane grond. Frank zou na alle behandelingen voorlopig geen trappen kunnen lopen, dus het was een verstandige beslissing.

Dit huis heeft een aanbouw en achter die aanbouw bevinden zich de slaapkamers en de badkamer. Ertussenin zit een soort ouderwetse tochtdeur, die naar twee kanten open kan. Hij staat meestal open, ik heb er een houtje onder geschoven zodat hij niet steeds openklapt.

Frank riep meteen: ‘Die deur gaat eruit!’ Frank had een sterke neiging om ieder huis waar we woonden (of waar we op bezoek waren), ingrijpend te willen verbouwen. Het kostte me altijd moeite om dat in onze eigen huizen een beetje tegen te houden (wat zeker niet altijd lukte).

‘Nee,’ zei ik dus gedecideerd. ‘Die deur laten we zitten, want als jij niet lekker bent (eufemisme voor ‘als je heel erg ziek bent door je behandelingen of door de kanker zelf’) kan die deur mooi dicht en dan heb je geen last van geluiden uit de kamer.’

Aanvankelijk leek het nog wel mee te vallen, maar toen de tijd voortschreed, waren er inderdaad momenten dat ik de tussendeur dichtdeed als hij op bed lag. Dan hoorde hij de honden niet blaffen of bezoek arriveren. De deur had zijn nut. Alleen met stofzuigen niet, want als hij openstaat, moet ik altijd het klemhoutje verwijderen en erachter stofzuigen en het is alsof vooral de haren van onze grootste hond zich daar het liefst en masse verzamelen. Het is iedere keer weer schrikken.

Maar altijd als ik stofzuig en mij zuchtend buig om de klem los, danwel vast te zetten, bedenk ik mij dat zo’n deur nuttig is. Voor als Frank slaapt.

Aan het eind liet ik de deur altijd open. Anders hoorde ik hem niet, als hij mij met zwakke stem riep. Vandaag stofzuigde ik weer en ik deed mijn deurritueel. Ik bukte mij en dacht mechanisch: ‘Toch wel handig als hij wil slapen en niet gestoord wil worden…’

Ik trap er iedere keer weer in. Oude gedachten die geconditioneerd worden bij handelingen.

Frank is dood. De tussendeur zit er nog.

Annemarie

En nu?

5 mei 2018

Ik schrijf dit met grote twijfels. Is wat mij nu overkomt het gevolg van Franks overlijden of ben ik gewoon een onmogelijk mens?

Ik klaag niet over hulp, geestelijk en praktisch. Ik ben veel geholpen en dat kwam vaak ook nog uit onverwachte hoek.

Maar nu…. Zeven en een halve maand verder…. Hoe bestrijd ik die eenzaamheid, die als een onvoorziene straf volgt op de jaren van ziekte en het sterven van Frank?

Hoe moet dat? Hoe doen mijn lotgenoten dat? Ik had een gezin, ik had in toenemende mate de zorg voor mijn ouders en ik had diverse bezigheden – wat had ik het druk!

De kinderen werden groot, de ouders stierven, het werk hield op en de man, met wie ik nu eindelijk de jaren van samen genieten zou krijgen, werd ziek en overleed.

Alles is weg.

Langgeleden was ik op bezoek bij een kennisje wier echtgenoot recent overleden was. Ze waren net verhuisd, de kinderen waren ook net uit huis. Ze zei: ‘Van de ene op de andere dag heb ik helemaal niets meer.’ Ik keek naar haar in haar lege nieuwe huis en trachtte het me voor te stellen.

Ze was iets ouder dan ik; onze kinderen waren nog jong. Haar situatie leek een ver van mijn bed-show. Nu denk ik vaak aan haar. Ze zat in de hel.

Dat weet ik nu.

Ik doe echt mijn best. Ik maak afspraken, ontvang vrienden en vriendinnen, maar als die weg zijn, is er iedere keer het grote niks. Er zijn geen feestjes of partijtjes, geen etentjes of anderszins.

De telefoon gaat maar zeer zelden. Ben ik melaats of zo?

Is men mijn rouw zat? Denkt men: ‘we zullen haar maar met rust laten’? Of denkt men dat ik er geen behoefte meer aan heb nadat ik een keer heb moeten afzeggen omdat ik juist op het moment dat ze me spontaan uitnodigden bezoek had?

Nu ben ik alweer een paar dagen echt alleen, 24 uur per dag. Ik heb het gevoel dat ik ga ontploffen!

De dodenherdenking voor het eerst zonder Frank.

Ik heb naar zijn foto’s gekeken en heb me afgevraagd of hij hij nog ergens is.

Missen de doden ons ook? Voelen zij ons verdriet?

Ik heb een paar mensen gebeld. Ik ben weggegaan. En weer thuisgekomen. Ik lees. Ik werk wat in de tuin. Ik laat mijn honden uit. Goddank is er de tv. En als ik geluk heb, kan ik in het donker een paar uur slapen en voel ik het allemaal even niet.

Is dit dus alleen-zijn?

Leiden alle mensen die alleen zijn, zo’n leven? Is het een kwestie van ‘eraan wennen’? Is er een cursus om dit te leren?

Ik loop door mijn stille huis. De paniek om Franks dood bespringt me op de gekste momenten. Het KAN niet waar zijn, dat een sterke man als hij zomaar weg is. Maar hij is weg en hij blijft maar weg. Zelfs die kanker die ons vier jaar in zijn greep hield, is vertrokken.

Hoe vind ik een manier om met deze vreselijke eenzaamheid en leegte om te gaan? Hoe moet dat? Kom me niet aan met vrijwilligerswerk en hobbies, want die vullen de tijd, maar geen leegte.

Wie weet het?

Annemarie

Leuk

Zondagmorgen. Het regent. De honden willen naar buiten, maar ik heb geen zin.

Vroeger, een leven geleden, zei jij dan goeiig dat jij ze wel zou uitlaten.

Nu is het de 30ste zondag na jouw dood (als je nog leefde zou ik je vragen of dat klopt… ik ben een rekenramp) en wat valt het me weer zwaar!

De zondagmorgen was altijd de meest relaxte ochtend van de week, een beetje uitslapen, een beetje uitgebreid ontbijten, muziek draaien, een beetje kletsen en kijken wat we met deze vrije dag samen zouden doen.

De zondag is de zwaarste dag voor weduwen en weduwnaars, schijnt het. Een dag die vermoedelijk ook het moeilijkste blijft, want rouw is een ziekte die door de tijd nauwelijks wordt genezen. Het is, integendeel, een chronische pijn die wij allemaal de rest van ons leven moeten meedragen.

Op zondag gaat ook zelden de telefoon. Dat snap ik. Andere koppels vieren deze dag ook samen. Maar wat is het moeilijk en wat duren de uren laaaannnggg…..!

Zometeen trotseer ik die regen dan maar. De druppels zullen samen met mijn tranen langs mijn gezicht lopen terwijl ik bij elke stap denk aan jou.

Onze laatste zondag samen, 10 september 2017, was verdrietig. We wisten dat je zou sterven. Dat wisten we al een tijdje, maar nu was je ook opgegeven en naar huis gestuurd. Ze konden in het ziekenhuis niets meer voor je doen. Je was moe en je had buikpijn. Maar geestelijk was je nog helemaal ok. We waren verslagen en dobberden door de tijd. Je zou sterven, maar we wisten niet wanneer en hoe. Maar we waren wel samen.

Een jaar geleden, op zondag 16 april, wisten we ook al dat je zou sterven- uiteindelijk- maar we leefden van behandeling naar behandeling, hopend dat iets je leven kon rekken of in elk geval de kwaliteit van je leven kon verbeteren. En we waren samen.

De jaren daarvoor was het eigenlijk niet veel anders. De doem van jouw naderende dood en de toenemende klachten die je kreeg door de kanker, bepaalden ons leven, maar er gloorde nog wel hoop en jij had toen nog wel relatief veel goede dagen. We deden het samen.

Gisteren vroeg een vriend mij of ik eigenlijk nog wel eens iets ‘leuk’ vind.

Ik moest gaan zitten.

Leuk?

Annemarie

Pasen 2018

Na alle emoties, na je ziekzijn en je sterven, is nu die van gelatenheid gekomen.

In de boekjes van deskundigen zal dat wel de ‘acceptatie’ genoemd worden, maar zo ervaar ik het niet.

Acceptatie is voor mij iets wat gelijkstaat aan schoorvoetend overstag gaan, begrijpen dat iets beter is, zus of zo, maar zo voelt het niet.

Ik ben alleen murw van het verzet.

De dood is onbegrijpelijk. Voor mij en volgens mij voor iedereen.

Ik zag je sterven. We zagen je samen sterven, zagen samen hoe je gezicht in een fractie een neutraal masker werd, waarachter jij niet meer regeerde.

Je kinderen, de dokter en ik. We zagen het, maar we weten niet wat het is.

Je leeft voort in mijn hoofd. Er is geen moment per dag dat je niet bij me bent, dat ik je niet zie lopen hier in huis, dat je niet bij me zit in de auto, dat ik niet aan je denk.

Ik begrijp er echt niets van.

Tegelijkertijd ben ik zo moe van het jou missen, van het sterven dat je steeds opnieuw doet, het afscheid dat ik dag na dag, uur na uur, opnieuw van je moet nemen.

De vrouw die ik was, is met jou gestorven. Ik leg ons leven samen met trage bewegingen af.

Het is voorbij, jij en ik zijn voorbij.

Jij bent voorbij en de ik die ik met jou was, is voorbij.

Het is volstrekt onduidelijk wie ik nu nog ben. Wat ik vind, wat ik wil.

En waarom. Want waarom eigenlijk?

Ik denk niet meer na, maar onderga het als een opgehokt dier.

Ik heb getrapt en geschreeuwd, maar niets helpt.

Geen acceptatie, maar einde van het verzet.

Gelatenheid.

Annemarie

Weblog van Annemarie van Gelder