Alle berichten van Annemarie

Pats

25 maart 2018  Zes maanden en een week

 

Ik heb een paar heel fijne dagen gehad.

Op donderdag volg ik sinds 8 maart een cursus aan de Seniorenacademie (!) in Groningen, over de psychologie van de massa, in het kader van het mij orienteren op andere zaken. Een mens moet ergens beginnen.

Afgelopen vrijdag mocht ik op uitnodiging van de Provinciale Statenfractie van de Partij voor de Dieren Friesland deelnemen aan een informatiebijeenkomst in Leeuwarden. Boeiend!

Het is goed om je hersenen weer eens te laten kraken.

Zaterdagmiddag ben ik naar een geliefde vriendin in Amsterdam geweest en ’s avonds ging ik uit eten met mijn dochter, bij wie ik ook logeerde. Wat hebben we toch altijd veel te bespreken!

Zondag- vandaag- was ik bij dierbare vrienden in Huizen, bij wie ik ook al heerlijk geluncht heb.

Grote stukken rijden ben ik niet erg meer gewend. Ook de gezellige niets-aan-de-hand-drukte in de stad ben ik niet meer gewend. Als ik al drukte meemaakte de laatste vier jaar, was dat voornamelijk in en rond ziekenhuizen.

Alleen op pad gaan durfde ik de afgelopen maanden na de dood van Frank niet aan, maar nu wel, omdat het lichter begint te worden en zeker ook nadat mijn zoon en zijn vriendin aangeboden hadden op mijn dieren te passen.

Het kon niet beter.

Alles lukte, ik kon de weg vinden (voor mij zelfs met een navigatiesysteem aan boord een klein wondertje), ik vond parkeerplekken, ik redde me op de snelweg, ik heb de mensen gezien en gesproken die mij dierbaar zijn en ik had een diep tevreden gevoel over mezelf: weer stappen alleen gezet in dit vreemde en eenzame leven van mij.

Toen ik thuis kwam, waren mijn zoon en zijn vriendin alweer vertrokken. De honden waren blij me weer te zien, maar hadden het ook duidelijk naar hun zin gehad met de kinderen.

Het was een uur of vijf. Zomertijd.

En pats. Dan is het er weer. Frank is er niet meer. Hij vraagt me niet meer hoe ik het gehad heb. Hij vertelt me niet meer dat hij me gemist heeft en blij is dat ik er weer ben.

Die waarheid hakt er iedere keer weer keihard in.

Ik vrees dat dat nooit went.

Annemarie

Een half jaar

16 september 2017 – 16 maart 2018

 

Een half jaar

wat een raar jubileum

in mijn rouw

en

het is het niet eens

een jubileum

 

het is een baby van tijd

een jonge hond

een kalf

poezelig en nog teer

zet de eerste wankele schreden

op weg naar

volwassenheid

 

Wat wordt het al groot

mijn rouw

zo oud al?

Goh

dat zou je niet zeggen!

Wat gaat de tijd toch snel!

 

Zo raar

Mijn rouw om jou

groeit

en

wordt zelfstandiger

loopt soms van mij weg

ik doe weer eens iets

alleen

 

Gisteren nog maar

gleed je van ons weg

een half jaar

nog maar

het langste half jaar

en

het kortste half jaar

Zo raar..

zo raar!

 

Annemarie

Geluidloos schreeuwen

10-3-2018

Van verschillende mensen hoor ik dat ze mijn blog lezen. Ik krijg veel lieve reacties zoals: ‘Ik zie dat je het er nog erg moeilijk mee hebt,’ maar ook pogingen om mij uit mijn treurnis te trekken, met opmerkingen zoals: ‘Wordt het geen tijd eens over iets vrolijkers te schrijven?’

Frank is over een week zes maanden dood. Een half jaar.

Ik zweer dat ik alles doe om er ‘goed’ mee om te gaan. Ik sta iedere dag op, onderneem dingen, ontvang mensen en tracht mijn leven in mijn eentje een nieuwe vorm te geven.

Voor de buitenwereld lijkt dat bijna een opluchting: ik doe weer ‘normaal’ en ik lijk niet meer zo zielig. We gaan dus gewoon weer over tot de orde van de dag. Een enkele bekende vraagt nu en dan ongemakkelijk hoe het ermee gaat en als ik in alle eerlijkheid zeg dat het niet meevalt, lijkt dat een groen licht om snel over een ander onderwerp te beginnen, alsof men denkt mij met afleiding van deze vervelende gedachten af te helpen. (Vrienden die dichtbij staan, weten wel beter.)

Ik ben ervan overtuigd dat er geen kwade opzet in het spel is. Het probleem is -en dat hoor ik van meerdere lotgenoten- dat de buitenwacht gewoon niet weet hoe er met rouwende achterblijvers moet worden omgegaan. Vroeger was een weduwe of weduwnaar een jaar of langer in het zwart gehuld en werd met egards behandeld; tegenwoordig moet je na drie maanden je leven weer oppakken en het er liever niet meer over hebben.

We zijn niet opgevoed met de dood.

Toch zou het goed zijn als we er met zijn allen meer aandacht aan besteden. Er zijn heel veel mensen in de rouw!

Voordat Frank overleed had ik er ook geen idee van. Ik herinner me mijn ongemak als ik in de supermarkt of op straat een bekende tegenkwam die een dergelijke plaag moest doorstaan…

Ik liep snel door, of knikte even, bang om zo iemand te kwetsen door iets verkeerds te zeggen of te storen! Nu weet ik dat rouwenden voornamelijk vreselijk eenzaam zijn. Ze doen hun dingen, doen boodschappen en zien eruit alsof er niets meer aan de hand is, maar vanbinnen krijsen ze geluidloos in wanhoop. Hun leven is hen afgepakt en niets kan de leegte vullen.

Een beetje mededogen en aandacht kunnen echter al zoveel betekenen.

Wat moet je als buitenstaander nu in elk geval NIET doen? (dit lijstje is tot stand gekomen met behulp van mede-lotgenoten):

-Niet doen alsof je iemand niet ziet en snel doorlopen

-Niet vragen of je het ‘al een plekje hebt gegeven’ of ‘er al een beetje aan gewend bent.’

-Niet over iemand anders beginnen die ook kanker heeft gehad en nu ook….

-Niet vage beloftes doen en zeggen ‘als ik iets kan doen, dan…’

-Niet vragen of men al weer op het liefdespad is…

-Niet hele verhalen over banen of vakanties vertellen in de hoop afleiding te verschaffen.

Maar kan kan je dan WEL doen of zeggen?

Het belangrijkste is dat je je realiseert dat dit iedereen kan overkomen. Jou ook. Het zal je waarschijnlijk ook op een kwade dag overkomen. Wat heb jij dan nodig?

-Blijf staan als je een (jou bekende) rouwende tegenkomt en kijk hem of haar aan. Laat zien dat je het ziet.

-Vraag of hij of zij wil praten, maak contact. De rouwende is ver weg!

-Vraag hoe het gaat en luister naar het antwoord. Vraag door, ook al krijg je er misschien een knoop van in je maag. Luister goed. Je kunt er zelfs op termijn iets aan hebben.

-Laat zien en merken dat het je raakt. Wees vooral eerlijk! Ga geen peptalk geven, doe niet alsof je er verstand van hebt als je het zelf niet hebt meegemaakt. Laat merken dat je het ook niet weet.

-Zeg eerlijk wat je voelt, dat je het erg vindt, dat je het ook niet weet, maar erken dat je ziet wat iemand doormaakt.

-Vraag of iemand een kopje koffie met je wil gaan drinken, om even verder te praten

of kom met een ander concreet voorstel- en houd je daaraan!

-Blijf voor alles aandacht besteden aan de achterblijver! Vraag wat men nodig heeft. Zeker als je dat ook gedaan hebt tijdens het ziekbed en sterven van de partner. De achterblijver heeft echt veel aandacht nodig.

Buiten het straatcontact is het ook hartstikke fijn als je iemand af en toe eens opbelt om te vragen hoe het gaat. Een levenspartner verliezen is- ook al beleeft iedereen dat op zijn of haar eigen manier- vreselijk zwaar.

De mensen die dit meemaken kunnen iedere kruimel waarachtig meeleven hard gebruiken. Wees vooral eerlijk. Vraag of het uitkomt en als dat niet zo is, voel je dan niet afgewezen, maar bel een andere keer opnieuw.

Denk maar aan wat je zelf nodig zou hebben in deze omstandigheden en realiseer je vooral dat het verdriet om het verlies van je levenspartner niet iets is wat ooit ‘overgaat.’

Realiseer je dat veel rouwenden, ook al lopen ze stilletjes over straat, van binnen schreeuwen van ellende.

Ik ging laatst een winkel in en een bekende die ik daar tegenkwam, zei: ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’ en toen sloeg ze haar armen om me heen.

Ik zei: ‘Wat je nu doet, is precies wat ik nodig heb.’

Annemarie

Onze wereld

 

Ik ben mezelf kwijt

nu ik mezelf niet meer zie

in jouw ogen

 

Mijn lichaam ben ik kwijt

nu jouw armen

het niet meer omvatten

 

Geheimen ben ik kwijt

nu wij ze niet

meer delen

 

Kwijt wat je van me wist

en wat je voor mij onthield

omdat ik het steeds vergat

 

Kwijt is je stem die vroeg

‘wanneer kom je naar huis?’

Kwijt is onze wereld

en mijn thuis

 

Annemarie

24 weken

Lichtstraaltje

25-2-2018

Vijf maanden en negen dagen

Een vriend adviseerde me eens een ‘wat vrolijker blog’ te schrijven. Hij is ook weduwnaar, maar hij vindt dat ik mijn lezers (met zijn hoevelen zijn jullie eigenlijk?) af en toe ook moet laten zien dat er heus ook wel weer licht aan de horizon verschijnt.

Ik krijg nu en dan reacties van lotgenoten en het is iedere keer weer een schok om te merken wat een gemene streken het leven met velen van ons kan uithalen. Echtgenoten die zomaar ineens doodgaan, of na een kort en schijnbaar onschuldig ziekbed het loodje leggen.

De dood zorgt iedere keer weer voor een donderslag bij heldere hemel.

Iedere achterblijver gaat er op zijn of haar eigen manier mee om, maar ik heb de indruk dat het iedereen behoorlijk tegenvalt.

De inzakmomenten zijn de ergste. Dat je wakker wordt omdat je ligt te huilen. Of dat je wakker wordt en dat het weer tot je door moet dringen: zij/hij is er niet meer.

Of die dagen dat ‘je hoofd niet kan stoppen met plassen’, zoals iemand het heel plastisch noemde of -iets officieler- dat je ‘emotioneel incontinent’ bent. Dat vind ik de ergste dagen.

Ik zie Franks foto’s dagelijks, maar dan ineens knapt er iets. Ik zie zijn gezicht en ik snap het gewoon niet. Dat hij weg is. Dat zijn as in die doos zit. Dat hij echt nooit en nooit meer terug komt. Ik snap het niet!

Het kan niet waar zijn. Het mag niet waar zijn…!

Nu ik het opschrijf, begint het alweer te lekken uit mijn ogen.

Huildagen vreten aan je, trekken alle energie uit je lichaam en er lijkt geen stoppen aan.

Geen enkel leuk plannetje of vooruitzicht verschaft nog licht. Afleiding helpt niet. TV kijken lukt niet, een boek lezen gaat niet. Waarom zou je nog verder leven?

De huildagen zijn -volgens dat boekje van Manu Keirse dat ik er dan maar weer eens op nasloeg- ‘nuttig’. Want je moet door je verdriet heen.

Zucht.

Dat klinkt makkelijker dan het is, want het is alsof huildagen ook veel langer duren dan andere dagen. Het lijkt trouwens ook of het er steeds meer worden… Toen ik de eerste paar gehad had, dacht ik: Zo, dat is klaar, die fase is voorbij. Maar zo zit het dus niet! Huildagen zijn onvoorspelbaar als het weer en ik vrees dat ze mij nog lange tijd blijven plagen.

Is er dan helemaal niets goeds te bespeuren in dit hele treurtraject – om op de vraag van die vriend terug te komen.?

Ja. Toch wel. Af en toe een pietsie. Een lichtstraaltje. Bijvoorbeeld vandaag. Toen werd ik gebeld door Elly. Ook sinds enkele maanden weduwe. Zij blijkt de dochter van de halfbroer van mijn moeder te zijn. Ik wist van haar bestaan niet af. We delen onze oma. Wat een leuk mens en wat konden we het meteen goed vinden! Lotgenoten in ons verdriet en ook nog halve nichten.

Een lichtstraaltje. Ik hoop dat zij het ook zo voelt.

Zo jammer dat ik het niet aan Frank kan vertellen….

Annemarie

Hiep hiep

19 februari 2018

Vijf maanden en drie dagen

Vandaag ben ik jarig. De eerste keer sinds 1984 zonder jou.

Verleden jaar heb je mijn verjaardagsfeestje nog georganiseerd: we waren met een aantal vrienden met hun en onze honden naar het strand in Wijk aan Zee. Het was een prachtige dag, Van je arts mocht je extra Dexamethason innemen, om overeind te blijven.

Je wandelde niet mee met ons mee op het strand, maar je was er wel. Je reed naar de kust, je regelde de borrels en de happen. Je dronk bier en zat te praten met onze vrienden. Je was gelukkig. Je had zelfs een hotel gereserveerd. ’s Avonds aten we een pizza met de kinderen.

De volgende dag was het moeilijker: je kon de auto niet inladen en zelfs niet zelf rijden. Ik reed ons dus naar huis. Wat was je moe, maar wat hebben we genoten.

Nu ik zonder jou moet leven, jij die sinds ik je kende het centrum van mijn bestaan vormde, ontdek ik pas, dag na dag, hoeveel je voor mij en ons deed. Hoe vanzelfsprekend ik dat altijd vond. Dit jaar hebben onze kinderen en hun partners mij een weekeind uitgenodigd in een huisje in Callantsoog. Voor het eerst pakte ik bagage en spullen in voor de honden en voor mij alleen. Voor het eerst reed ik er alleen naar toe. Ik was trots dat het me allemaal lukte en het was heerlijk! Het weer was geweldig, de kinderen sloofden zich uit met eten en drinken en wat hebben we veel gewandeld en gespeeld met de honden.

Barbara hand in hand met Maarten, Merlijn hand in hand met Martine -wat zou jij ervan genoten hebben- maar god, wat miste ik jouw hand!

Middelbare vrouw met een dubbele trouwring om haar ringvinger, wandelend tussen haar kinderen, maar afgesneden van het centrum van haar leven.

De terugreis, alleen, was in tranen. Er is geen mens die mijn gemis kan goedmaken. Lieve vrienden kwamen vanmiddag langs, talloze vrienden belden en appten. Ik voel de lieve wensen als zachte strelingen langs mijn wangen gaan, maar niets, niets, niets kan deze intense pijn stillen.

Vijf maanden en drie dagen? Het voelt alsof het gisteren gebeurd is en tegelijkertijd alsof het al eeuwig is. Ik zie de onmacht in de ogen van mijn dierbaren, de angst voor mijn verdriet en de schemerende angst dat het hen ooit treft. We zijn allemaal weerloos. Het is hopeloos. Hiep hiep hoera.

Annemarie

Afstotingsverschijnselen

10 februari 2018

21 weken – 147 dagen

Een jaar of twee geleden overlegden Frank en ik in het ziekenhuis in Groningen met een specialist over een experimentele behandeling waarmee Frank misschien kon genezen. Frank zou dan stamcellen van een donor (zijn zuster) krijgen, die de functie van die van hem moesten overnemen en dan de ziekte definitief zouden kunnen verslaan. We waren hoopvol- Franks’ zus was een 100% match.

Maar helaas: de kanker -en vooral de aantasting van de nieren- was te ver gevorderd en de kans dat Frank de behandeling überhaupt zou overleven, was volgens de specialist nihil.

Iemand die een donororgaan krijgt, of stamcellen, kan heftige afweerreacties krijgen. Om de donatie te laten slagen, worden natuurlijke afweerreacties dan ook dikwijls onderdrukt met zeer sterke medicatie. Dat betekent dat je lichaam ook extra gevoelig wordt voor andere boosdoeners, zoals bacteriën en virussen. Je bent zo weerloos als een baby, terwijl inwendig een geregisseerde oorlog woedt  waarbij de indringer het moet winnen, maar een toevallig passerende bacterie het hele proces kan verknoeien.

Rouwen doet me soms een beetje denken aan die strijd.

De rouwende achterblijver lijdt psychisch zwaar onder de dood van de geliefde. Het verdriet trekt je naar het Niemandsland waar je lief verdwenen is, je wankelt tussen dood en leven, maar het leven zelf -als een donororgaan- moedigt je aan om door te ademen.

Intussen plegen gebeurtenissen zoals -bij mij- het ophalen van Frank zijn as, het opruimen van zijn kleren, het moeten verkopen van de auto of het orde op zaken stellen qua financien, aanslagen op mijn weerstand. Een melodietje mortiert herinneringen in mijn hart, en breekt het, steeds opnieuw. Een brief gericht aan hem put me uit als een zware koortsaanval. En als ik een bekende tegenkom die het nog niet weet en ik de woorden opnieuw hardop moet uitspreken: ‘Frank is overleden,’ voel ik vanbinnen hoe Niemandsland me lonkt en hoe de afstotingsverschijnselen dreigen te winnen.

Er zijn rouwenden die het niet redden en hun geliefden achternagaan, maar de meeste achterblijvers omarmen het donororgaan dat het leven is en willen ‘ beter’ worden. Ook patiënten die een donororgaan ontvangen, willen niets liever dan leven.

In het eerste geval is het een innerlijke strijd en in het tweede moet je je lot in handen van artsen leggen.

In beide gevallen is het berezwaar, maar in beide gevallen vinden we het kennelijk de moeite van de inspanningen waard. Misschien is het leven zelf wel het allergrootste geschenk dat we ooit kunnen ontvangen en beseffen we dat pas goed als het ons op wat voor manier dan ook ontnomen wordt.

Ik wens iedereen in deze omstandigheden alle kracht.

Annemarie

 

Helaas

4 maanden en twee weken

 

Lieve Frank,

 

De tijd na jouw dood rekt zich

en de pijn groeit mee

als een kwaad gezwel.

Helaas.

Het wordt niet minder. Men vraagt mij ‘of het went’ en

of ik ‘mijn leven weer een beetje kan oppakken’.

Maar hoe moet dat? Ik kijk naar je foto’s en luister naar onze muziek

ik hoor de woorden die je tegen mij zei

en streel de stoel waarin je hebt gezeten.

Als ik in bed lig in het donker

denk ik dat ik heel misschien net ben ontwaakt

uit een nachtmerrie

en dat je, als ik het licht aandoe,

gewoon naast me ligt, zoals zo vaak

na nachtmerries waarin ik je was kwijtgeraakt

Helaas

want op de kast staat nu

je doos met as

Bijna vijf kilo pijn.

Ik neem hem in mijn armen

alles wat over is van jou

en je lieve grote lijf

Het besef daalt niet in.

Waar ben je?

“Hoe gaat het?’ vraagt men.

Ik trek mijn schouders op. ‘Hm.’

Ik baal ervan dat ik het anderen zo moeilijk maak.

Ik schiet tekort. Ik schiet niet op.

Mijn leven wil niet meer.

Ben ik een aanstelster?

Moet ik harder zijn voor mezelf?

Ik denk aan jou: ‘Van leven ga je dood’.

Wat zou jij doen?

Papa zou wel een biertje drinken’, zeggen de kinderen als ik Spa neem.

Vast wel. Je was flinker dan ik. Rationeler. Je nam het leven zoals het was.

Maar o, was je er maar. Je armen om me heen. Je hart te horen kloppen.

Kon deze nachtmerrie maar stoppen.

Helaas

Annemarie

Wisselend

Als mensen mij vragen hoe het gaat, antwoord ik meestal ‘wisselend’. Het is het enige woord dat de lading dekt. Mijn stemmingen varieren van niet meer weten hoe ik verder moet tot een bijna euforische dadendrang. Een dadendrang die overigens niet tot actie leidt- maar er zijn wel regelmatig ‘plannen’. Sliep ik voorheen slecht, omdat Franks ziekte mij wakker hield, tegenwoordig is het zijn dood die me belet te slapen. Zodra ik -steeds later- ’s avonds het licht uitdoe, word ik bevangen door een soort paniek. Een vriendin noemde dat het moment dat ‘de wolven komen’. In het donker begin ik me af te vragen of ik me niet vergist heb. Of ik misschien in een nachtmerrie gevangen zit en dat alles helemaal niet waar is. Ik begin tegen Frank te praten. Misschien zegt hij iets terug en is het inderdaad een grote vergissing. Ik noem zijn naam. “Hey, ben je nog wakker?”

Ik doe het licht aan. Hij is er niet. Het is waar.

Het is iedere keer weer waar.

Slapen is, zoals ze dat tegenwoordig wel omschrijven, ‘een beetje een dingetje’. Als ik al slaap, word ik om de haverklap wakker, met heftig bonzend hart. En als het eindelijk ochtend is, spring ik uit bed, verlost uit de nacht, weg uit die kamer, weg van de demonen.

Het is eigenlijk onwaarschijnlijk dat een mens met zo weinig nachtrust overdag nog kan functioneren, maar dat doe ik wel – soort van. Ik laat de honden uit, bestier mijn kleine huishoudentje, ontvang vrienden en ga er incidenteel zelfs uit en dat alles houd ik vol omdat mijn hart nonstop in overdrive is, in een constante vluchtmodus.

De laatste dagen begin ik me echter moe te voelen. Wakker worden kost me weer moeite, ik draai me liever nog even om dan meteen uit bed te springen. Misschien is dat een teken dat ik me eindelijk een beetje begin te ontspannen. Ik weet het niet. Zoals zo veel. De ziekte van Frank en zijn uiteindelijke sterven hebben me in een achtbaan van emoties geplaatst die ik niet alleen nooit eerder heb ervaren, maar waarvan ik de afloop ook niet ken. Ik kan niet anders doen dan het ondergaan, los van het feit dat ik hem gekmakend mis en gewoon niet begrijp dat hij nooit meer terugkomt.

Als Merlijn zegt dat hij van zijn vader gedroomd heeft, ben ik blij voor hem, maar ook jaloers. Waarom kan ik hem niet zien, ’s nachts?

Hij is nu vier maanden en 12 dagen dood. Het begint nu wel erg lang te duren. Voor de omgeving is het ‘gewoon’. Vroeger meende ik dat achterblijvers er na die tijd wel een beetje aan gewend waren. Nou, niet dus. Ik vraag me af of het ooit zal wennen.

Soms vraag ik me af of ik destijds met Frank getrouwd zou zijn als ik geweten had dat hij na 33 jaar samenzijn dood zou gaan. Het is een idiote vraag, ik weet het. Compenseert een goed huwelijk een dergelijk verdriet? Laatst hoorde ik van een koppel dat 40 jaar getrouwd was en toen bleek manlief een affaire te hebben met een veel jongere dame. Zo’n verhaal ontnuchtert. De man heeft in feite het hele verleden met zijn vrouw kapotgemaakt, zoiets maak je nooit meer ongedaan. Ik denk regelmatig aan die vrouw: daar staat ze dan, was haar hele leven nu een leugen? Hoe leef je met zoiets?

Dus ja, ik zou met Frank getrouwd zijn, ook als ik wist dat hij eerder ziek geworden zou zijn en sterven zou. Iedere dag die we samen waren, hebben we toch maar mooi gehad. Bovendien, mijn herinneringen aan hem zijn onbezoedeld: we hielden tot aan het einde van elkaar.

Ik wil leren dankbaar te zijn voor wat ik heb gehad en niet te blijven hangen in wrok om wat mij ontnomen is. Maar dat hij zo ziek heeft moeten zijn en dat hij zijn leven heeft moeten opgeven, zal ik nooit begrijpen. Het zal dus altijd wel ‘wisselend’ blijven.

Annemarie

Voorbereid

18 weken – vier maanden 4 dagen

Gisteren – 19 januari- was de verjaardag van onze zoon Merlijn. Hij werd 31 jaar. Ik heb hem niet gezien, hij is op wintersport in Frankrijk. Ik herinner me hoe Frank mij en hem 31 jaar geleden uit het ziekenhuis ophaalde, in Schiedam, en dat we onderweg naar huis bij een babywinkel een geel babypakje kleinste maat voor hem kochten, omdat alles wat ik in huis had te groot voor hem zou zijn. Hij was zo klein! Nu is Merlijn een beer van een man, die iedere dag meer op zijn vader lijkt.

Wie mij 31 jaar geleden voorspeld zou hebben -als in een sprookje waarin de gemene heks als laatste en na de goede feeen een lelijke duit in het zakje doet- dat ik over 31 jaar alleen in een huis zou zitten, zonder man en kinderen, zou ik niet geloofd hebben. Ondenkbaar was het geweest! Frank, Barbara, de kleine Merlijn en ik waren een onneembaar fort dat nooit uit elkaar kon vallen.

Maar kinderen worden groot. Ik heb mijn portie empty nest syndroom moeten slikken, net als iedere ouder. Pff, dat viel me niet mee! Het duurt een tijdje voordat je je erbij neerlegt: die kids zijn weg en komen niet meer terug. En dat is goed. Want stel je voor dat je kinderen niet weggaan, dan heb je heel andere problemen…. Maar het gevoel was toen wel rot -dat los moeten laten.

Veel ouderstellen die niet meer voor hun kinderen hoeven te zorgen, vinden een nieuw evenwicht, een opleving van hun relatie zelfs. Carriere en kinderen vragen niet zoveel aandacht meer, het is tijd om er samen op uit te gaan, reizen te maken, gezamenlijke hobbies op te pakken. Frank had er zin in. Wij gingen op avontuur naar Frankrijk.

En we kwamen met hangende pootjes terug in gezelschap van een ziekte die hem nooit meer zou verlaten. Ik heb altijd gedacht dat ik op een bepaalde manier wel bofte, dat we het ‘wisten’. Zodat we nog tijd hadden samen en ons erop konden voorbereiden. Dat we er ook over konden praten en afscheid konden nemen. Al die tijd dat die kanker er was, wisten we dat de dood zou komen. Misschien niet vandaag, maar waarschijnlijk wel gauw. Ik dacht dat ik voorbereid was op zijn dood.

Lang geleden, toen ik in verwachting was van Barbara, kreeg ik van andere moeders te horen hoe een bevalling voelde. Hoe je wist dat ‘het eraan kwam’ en wat er dan gebeurde. Weeen zou je krijgen, of je water kon ‘breken’. Ik hoorde het aan en ik knikte. Aha. Ik was voorbereid! Maar pas toen het gebeurde, wist ik het. Dat geldt ook voor de dood van je partner: je hebt erover gelezen, je hebt erover gesproken en je kent de therorie.

Denk je. De praktijk is een heel ander verhaal en de woorden dekken de lading van gevoelens bij lange na niet. Ik denk dat dat geldt voor heel veel ervaringen, ook al zijn velen van ons behept met een groot voorstellingsvermogen. In de steek gelaten worden door je lief, misbruikt te zijn in je jeugd, geslagen worden door je echtgenoot, ongewenste kinderloosheid, een kind kwijtraken, een been moeten laten amputeren, je man verliezen… je weet pas wat het is als het je overkomt.

En dan? Aanvankelijk de verlamming, de pijn die gewoon te groot is om te handelen. Dag na dag de confrontatie aangaan met deze nieuwe realiteit en hopen en bidden dat het ‘went’. Dat je weer adem krijgt.

Maar zelfs als je weer adem krijgt, blijft de pijn je overvallen.Je oude leven is definitief voorbij. Ik kijk naar de foto’s van Frank en ik zoek zijn ogen op. Hij kijkt me aan met zijn mooie blauwgrijze ogen en hij is er weer even. Ik huil. Ik mis je zo. Nog net zo erg als die eerste dag en waarschijnlijk ook nog op de laatste dag dat ik leef.

De telefoon gaat. Ik verman me- of is het vervrouwen?

Het nu gaat verder. Meedogenloos.

Annemarie