Voorbereid

18 weken – vier maanden 4 dagen

Gisteren – 19 januari- was de verjaardag van onze zoon Merlijn. Hij werd 31 jaar. Ik heb hem niet gezien, hij is op wintersport in Frankrijk. Ik herinner me hoe Frank mij en hem 31 jaar geleden uit het ziekenhuis ophaalde, in Schiedam, en dat we onderweg naar huis bij een babywinkel een geel babypakje kleinste maat voor hem kochten, omdat alles wat ik in huis had te groot voor hem zou zijn. Hij was zo klein! Nu is Merlijn een beer van een man, die iedere dag meer op zijn vader lijkt.

Wie mij 31 jaar geleden voorspeld zou hebben -als in een sprookje waarin de gemene heks als laatste en na de goede feeen een lelijke duit in het zakje doet- dat ik over 31 jaar alleen in een huis zou zitten, zonder man en kinderen, zou ik niet geloofd hebben. Ondenkbaar was het geweest! Frank, Barbara, de kleine Merlijn en ik waren een onneembaar fort dat nooit uit elkaar kon vallen.

Maar kinderen worden groot. Ik heb mijn portie empty nest syndroom moeten slikken, net als iedere ouder. Pff, dat viel me niet mee! Het duurt een tijdje voordat je je erbij neerlegt: die kids zijn weg en komen niet meer terug. En dat is goed. Want stel je voor dat je kinderen niet weggaan, dan heb je heel andere problemen…. Maar het gevoel was toen wel rot -dat los moeten laten.

Veel ouderstellen die niet meer voor hun kinderen hoeven te zorgen, vinden een nieuw evenwicht, een opleving van hun relatie zelfs. Carriere en kinderen vragen niet zoveel aandacht meer, het is tijd om er samen op uit te gaan, reizen te maken, gezamenlijke hobbies op te pakken. Frank had er zin in. Wij gingen op avontuur naar Frankrijk.

En we kwamen met hangende pootjes terug in gezelschap van een ziekte die hem nooit meer zou verlaten. Ik heb altijd gedacht dat ik op een bepaalde manier wel bofte, dat we het ‘wisten’. Zodat we nog tijd hadden samen en ons erop konden voorbereiden. Dat we er ook over konden praten en afscheid konden nemen. Al die tijd dat die kanker er was, wisten we dat de dood zou komen. Misschien niet vandaag, maar waarschijnlijk wel gauw. Ik dacht dat ik voorbereid was op zijn dood.

Lang geleden, toen ik in verwachting was van Barbara, kreeg ik van andere moeders te horen hoe een bevalling voelde. Hoe je wist dat ‘het eraan kwam’ en wat er dan gebeurde. Weeen zou je krijgen, of je water kon ‘breken’. Ik hoorde het aan en ik knikte. Aha. Ik was voorbereid! Maar pas toen het gebeurde, wist ik het. Dat geldt ook voor de dood van je partner: je hebt erover gelezen, je hebt erover gesproken en je kent de therorie.

Denk je. De praktijk is een heel ander verhaal en de woorden dekken de lading van gevoelens bij lange na niet. Ik denk dat dat geldt voor heel veel ervaringen, ook al zijn velen van ons behept met een groot voorstellingsvermogen. In de steek gelaten worden door je lief, misbruikt te zijn in je jeugd, geslagen worden door je echtgenoot, ongewenste kinderloosheid, een kind kwijtraken, een been moeten laten amputeren, je man verliezen… je weet pas wat het is als het je overkomt.

En dan? Aanvankelijk de verlamming, de pijn die gewoon te groot is om te handelen. Dag na dag de confrontatie aangaan met deze nieuwe realiteit en hopen en bidden dat het ‘went’. Dat je weer adem krijgt.

Maar zelfs als je weer adem krijgt, blijft de pijn je overvallen.Je oude leven is definitief voorbij. Ik kijk naar de foto’s van Frank en ik zoek zijn ogen op. Hij kijkt me aan met zijn mooie blauwgrijze ogen en hij is er weer even. Ik huil. Ik mis je zo. Nog net zo erg als die eerste dag en waarschijnlijk ook nog op de laatste dag dat ik leef.

De telefoon gaat. Ik verman me- of is het vervrouwen?

Het nu gaat verder. Meedogenloos.

Annemarie

 

Dierentroost

17 weken

Altijd als Frank en ik thuiskwamen na een ziekenhuisbezoek en ik de voordeur opende, stormden onze drie honden naar buiten, om hem te begroeten. Pas dan kwamen ze naar mij toe.

Frank is nu bijna vier maanden dood, maar vooral Goochem, ons middelste hondje (een flinke pincher van zes jaar) blijft dit doen. De andere twee huppelen soms wel even met hem mee.

Het is iedere keer aangrijpend om mee te maken. Ik parkeer de auto, ik sluit het hek en ik ga naar binnen. Goochem racet langs me heen naar de auto en blijft verwachtingsvol staan, zijn koppie schuin en zijn staart weifelend zwaaiend… Maar er komt niemand uit de auto. Hij draait zich om en komt mij begroeten.

Wij mensen zijn geneigd dieren gevoelens toe te schrijven die op die van ons lijken. Wat voelt Goochem? En wat gaat er om in Aram, mijn grote zwarte Spaanse vriend? Waarom is hij toch zo vreselijk onrustig als ik bezoek heb? Waarom blijft hij aandacht vragen en om me heen drentelen als er mensen zijn? En waarom is hij pas rustig als we weer ‘onder elkaar zijn’?

Ik weet niet wat mijn dieren ervaren, maar ik geloof wel dat ze iets ervaren. Ook de katten. Ze zijn in elk geval huiselijker dan toen Frank nog leefde en blijven zeker meer in de buurt..

Toen Barbara en ik onlangs samen op stap gingen en de honden bij zoon Merlijn achterlieten -zoals zo vaak in het verleden als Frank lange dagbehandelingen kreeg in het ziekenhuis- zaten ze volgens Merlijn de hele dag naar de deur te kijken. Terwijl ze voorheen op zijn bed in slaap vielen en pas opkeken als wij weer binnenwandelden.

Is het dat die dieren mijn gevoelens overnemen? Mijn onrust, mijn angst?

Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik blij ben dat ik ze heb. Met Frank heb ik afgesproken dat ik na zijn dood voor ze zou blijven zorgen, zoals hij dat ook zou doen als ik was overleden.

Als ik huil- en dat doe ik regelmatig- klimt mijn kleine Puck op mijn schoot en drukt haar warme (en ja, iets te dikke) marmottenlijf tegen mijn gezicht, alsof ze een lek wil dichten. En Aram en Goochem kruipen tegen mij aan. Voor mijn gevoel huilen we samen.

Ik weet zeker dat zij Frank ook missen, ook al hebben ze er dan geen woorden voor.

We dragen dit samen.

Annemarie

Niks geen fasen

16 weken

Van vriendin Sandra kreeg ik het boekje ‘Vingerafdruk van verdriet’ van Manu Keirse. Ik had net een interview met deze rouwdeskundige in de Psychologie gelezen en was al op zoek geweest naar een boek van zijn hand. Een schot in de roos dus! Keirse zegt ondermeer dat rouwen niet ‘verwerken van verdriet’ is, maar ‘verdriet overleven’. Verdriet om het verlies van een geliefde kan je ook geen ‘plekje geven’, je moet met het gemis leren leven- je verdere leven lang.

Het is troostrijk te lezen dat alle gevoelens waaraan ik als achterblijfster blootgesteld word, ‘normaal’ zijn. Keirse beschrijft hoe de rouwende verscheurd kan worden door diverse verschillende emoties- die vaak tegelijkertijd spelen.

In veel artikelen over rouw wordt gezegd dat rouwen ‘in fasen’ gaat. Dat je eerst de ontkennende fase hebt en dan de woedende, vervolgens de verdrietige en tenslotte komt het accepteren- of iets dergelijks. Nou, dat is niet waar, weet ik nu uit eigen ervaring en dankzij de getuigenissen van lotgenoten.

Er zijn geen fasen. Er is alleen maar een wirwar aan gevoelens, van wanhoop, liefdesverdriet, heimwee, angst, denken dat je gek wordt, overspannen bent, depressief wordt, fysieke en geestelijke uitval, agressie, neerslachtigheid, waanzin… en ga zo maar door. En al die gevoelens buitelen dag in, dag uit, door je hoofd en schudden je ’s nachts wakker.

Het ergste van alles zijn de constante tegenstrijdigheden die ik ervaar- ook al zijn ze volgens Keirse dan gelukkig ‘normaal’. Ik wil dingen, maar ik doe ze niet, ik doe dingen, maar wil ze niet. Ik draai rondjes als een op hol geslagen tol en kan stoppen noch doorgaan. Ik wil graag naar vrienden toe, maar als ik bij hen ben, wil ik naar huis. Als ik thuis ben, wil ik weg. Als ik alleen ben, wil ik dat er iemand komt, maar als er dan iemand is, kijk ik hem of haar soms bijna mijn huis uit.

Het is een storm die door me heen raast en mij maar mondjesmaat rust geeft. En net als ik denk dat het beter gaat en dat ik toe ben aan aanvaarden van wat nu eenmaal niet veranderd kan worden, word ik overvallen door een vloedgolf van nieuwe ellende en lijkt alles opnieuw te beginnen. Als ik in de supermarkt ben en als bekenden enigszins schuw van me wegkijken, als ik met mijn honden door het bos loop of als ik met een vriendin sta te praten. Pats. De wereld wordt steeds opnieuw onder mij weggeslagen. Mijn hart blijft maar breken.

Ik ben zeker niet de enige die dit zo voelt, weet ik. Van lotgenoten hoor ik hetzelfde, ook hun wereld staat te schudden en ze weten nauwelijks hoe ze zich overeind moeten houden. Goedbedoelde adviezen als ”Doe alleen maar waar je zin in hebt,’ zijn zinloos. Want je weet helemaal niet waar je zin in hebt.

Vaak horen we zeggen dat we ‘zo flink’ of ‘zo sterk’ zijn.

Maar dat is niet zo. We zien er misschien uit als onszelf, maar vanbinnen zijn we op hol geslagen en vereenzaamde machinerietjes die tegenstrijdige instructies opvolgen van “vooruit, nee terug”, van “links, nee rechts” en van “ja en nee” en ons geparalyseerd laten staan op de plek waar we achter zijn gelaten.

We wachten verlamd tot iemand het ziet en zijn of haar armen om ons heenslaat en tegen ons zegt: “Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik vind het zo erg wat er is gebeurd.”

Alleen medemenselijkheid kan onze gestagneerde motortjes weer laten lopen.

Annemarie

Wens

31-12-2017

106 dagen

Hoewel gedachten blijven komen en gaan, houd ik het vandaag schrijvend kort op mijn blog.

Het is de laatste dag van het jaar 2017.

In 2017 overleed mijn man, Frank van Genne.

2017 zal in mijn -en in die van onze kinderen- herinnering altijd dat jaar blijven waarin onze man en (schoon-)vader ons moest verlaten.

Ik ken een aantal mensen die ook dit afgelopen jaar hun geliefde hebben moeten laten gaan.

Maar er zijn nog veel meer mensen die hetzelfde hebben meegemaakt in de jaren hiervoor en het verdriet verlaat ons allen- dat weet ik nu- nooit, hoewel het met de tijd hopelijk beter te dragen zal zijn.

Al die mensen die iemand verloren hebben, wil ik nu vooral alle kracht toewensen.

De hobbel om 0.00 uur zonder onze geliefden zal zwaar zijn.

Ook dank ik de mensen die met mij hebben willen delen in verdriet en troost.

Moge 2018 ons allemaal licht en vrede brengen en berusting in wat nu eenmaal onveranderlijk is.

(En ben je nog ongeschonden in je geluk? Geniet ervan!)

Een dikke knuffel voor iedereen!

Annemarie

Levenslang juk

14 weken

Een lotgenote schreef me dat rouw ‘geen griep is waarvan je kunt  genezen’. Een andere lotgenote vertelde me dat de dood van je partner een gat in je leven slaat dat nooit meer weggaat, maar waarmee je moet zien te dealen.

Als je geluk hebt, ontwikkelen zich naast en rond dat gat ervaringen waar je weer een beetje gelukkig van wordt. Zelfs mensen die een nieuwe partner vinden, raken de pijn nooit kwijt. Nieuwe liefde kan bestaan – naast de oude.

Steeds sterker realiseer ik me dat het verdriet om de dood van Frank mij nooit meer zal verlaten, maar dat het een juk is dat ik tot aan mijn eigen dood zal moeten blijven dragen.

Ik tracht aan die gedachte te wennen, die zowel dreigend als rustgevend is. Want de afgelopen maanden ben ik voornamelijk bezig geweest methodes te zoeken die me zouden kunnen ‘genezen’ van de pijn, maar nu ik weet dat ik er toch nooit vanaf kom, zoek ik naar methoden om ermee verder te leven. Was eerst de kanker een derde in ons huwelijk, nu ben ik alleen en voor altijd vergezeld van dit verdriet.

Ze zeggen wel eens dat acceptatie de eerste stap is in ongewenste veranderingen in je leven. Van de week sprak ik een vrouw die ernstig ziek was geweest, en zelfs ‘bij de dood weggesleept’. Ze vond het moeilijk dat ze zoveel restverschijnselen had, de kracht van vroeger niet terugkreeg en dat ze zo snel moe was. Ze zei: ‘Het wordt nooit meer zoals het was.’

Ik keek haar aan en hoorde mezelf, tot mijn verbazing zeggen: ‘Niets wordt ooit weer wat het was. Dat is het leven.’

Accepteren van wat onaanvaardbaar lijkt, is heel hard werken. Het gaat met vallen en opstaan. De neiging om de pijn te bestrijden om ervan af te komen, blijft sterk.

Nog niet zo lang geleden, toen Frank weer eens in het ziekenhuis lag, belde hij mij thuis op. Dat deed hij vaak, we appten en belden de hele dag door, tot ik weer aan zijn bed zat. Hij lag foto’s op zijn laptop te bekijken van ons leven samen. Hij zei: “Vroeger kon je zo vaak de slappe lach hebben. Dat heb je de laatste jaren nooit meer. Ik hoop zo dat je die ooit weer eens zult krijgen.”

Ik moest eraan denken, van de week. Ik had de slappe lach, aan de telefoon met een lotgenoot. De tranen rolden over mijn wangen.

Het was de eerste opmerkelijk leuke ervaring naast het gat dat de dood van Frank blijvend in mijn leven heeft geslagen. Het juk zal altijd blijven, maar ik draag het met trots. Verdriet is immers de keerzijde van liefde.

Drie maanden

Dit dus:

Dat je altijd dood zult zijn

en dat het alleen maar langer gaat duren

Ik word ouder

jij blijft wie je was

Ik groei van je weg

neem stappen van je af

neem beslissingen

zonder jou.

 

En dit dus:

Dat ik soms lach

omdat iemand me aan het lachen maakt

dat ik dingen deel

met anderen

en ze je niet meer kan vertellen.

Leef ik mijn leven

struikelend

zonder jou

 

En dit:

Dat ik je naam roep

of huilend wakkerschrik

omdat je er niet meer bent

en nooit meer terugkomt

een besef

dat steeds weer

met een mokerslag

indaalt

 

Dit dus:

Dat ik nog steeds leef

dat ik verder leef en

mijn weg moet vinden

in een leven zonder jou

zonder je liefde

maar in herinnering

en dankbaarheid

omdat je er was.

 

Annemarie

Niemandsland

12 weken

Momenteel lees ik veel over rouw en heb ik geregeld contact met andere mensen die hun partner verloren hebben. Tijdens Franks ziekte wilde ik alles over zijn ziekte weten en werd ik op het gebied van de medicijnen die hij gebruikte een wandelende encyclopdie. Ik kende alle namen, alle effecten en bijverschijnselen. Het lijkt belangrijk voor mij te weten wie mijn vijand is.

Nu is dat de rouw. Maar zoals altijd is het theoretisch kennen van zaken iets heel anders dan ze ondergaan. Dat merkte ik toen Frank ziek was: we liepen hand in hand het ziekenhuis in, waar hij zijn behandelingen kreeg. Ik stond erbij en keek ernaar, maar voelen deed ik het niet. Kanker heb je samen, zeggen ze, maar dat is eigenlijk net zo raar als ‘samen zwanger zijn’. Het kind heb je samen, maar de zwangerschap moet je als vrouw toch echt in je eentje doorstaan.

Wat is rouw? Ik dacht, toen Frank er nog was, dat ik er een redelijk beeld van had. Ik zou verdrietig zijn en dat verdriet zou op den duur milder worden. Zoiets. Maar het woord ‘verdriet’ dekt bij lange na de lading niet. Dat hoor ik ook uit de gesprekken die ik heb met mede-rouwenden.

Ik herinner me een paar jaar geleden toen de man van een kennisje plotseling overleed. Ik ging bij haar op bezoek en we stonden bij de kist waarin haar man lag. Hij had zijn bril op. Ze zei: Ik heb hem zijn bril maar op gezet, anders ziet hij er zo raar uit.’ Ze streelde zijn haar. Ze zag er ‘gewoon’ uit. Ze gaf me koffie. Ik ging naar huis en ik zei tegen Frank:”Ze doet het goed. Ze is heel flink.’

Nu ik het zelf meemaak, weet ik dat mijn kennisje helemaal niet ‘flink’ was. Ook ik word herhaaldelijk ‘sterk’ en ‘moedig’ genoemd door mensen, maar ik ben gewoon leeg.

Ik functioneer, ik loop rond, ik doe alles wat ik altijd deed, maar vanbinnen is alles verwoest. Het is een automatische piloot waarop ik verder vlieg.

Het leven van een achterblijver is compleet overhoop gehaald. Niets, maar dan ook niets is nog gewoon. Je loopt op eieren, want na die enorme aardbeving die de dood van je lief veroorzaakte, schudt de wereld steeds zomaar opnieuw. De grond kan plotseling -pats- weer onder je wegzakken.

Ik heb in mijn leven verdriet gekend, liefdes die voorbijgingen, vrienden die het af lieten weten, mijn enige broer die niets van me wil weten, mijn ouders die na veel ellende roemloos stierven, manuscripten die afgewezen werden, vriendinnen die stierven, huisdieren, nare ziektes en pijn, maar niets , maar dan ook niets is te vergelijken met het verlies van Frank. Alles wat vertouwd, veilig en eigen was, is in een klap verdwenen.

Op de TV werd ‘Kijken in de ziel’ van de week opnieuw uitgezonden, over rouwverwerking. De weduwe die daarin geinterviewd werd, zei dat ze vond dat rouwenden een zwarte band zouden moeten dragen, zodat andere mensen begrijpen waar ze zich bevinden. Ik kan me daar wel in vinden. Rouwenden lopen fysiek namelijk wel gewoon rond in het land van de levenden, maar vanbinnen zitten ze opgesloten in Niemandsland. Het land tussen leven en dood. In onze samenleving is daar geen begrip voor. De dood wordt weggepoetst. Gevolg is dat rouwenden in feite dubbel gestraft worden. We leven als een soort zombies en hebben de grootste moeite ons overeind te houden, maar in plaats van compassie te krijgen, wordt er van ons verwacht dat we zo snel mogelijk weer ‘normaal’ doen. Overheidsinstanties en banken en dergelijke bekogelen je al meteen met brieven waarin je, na een korte condoleance, als ‘erven van’ gesommeerd wordt dit en dat te doen. Voor een achterblijver is dat nagenoeg onmogelijk: je hersenen doen het nauwelijks! Ik hoor van alle mede-partners dat al enkele maanden na de dood van hun lief de aandacht van de omgeving voorbij is.’ Doe nu maar weer gewoon.’

Dus doen ze vaak maar ‘alsof’ en trekken zich in hun eentje terug in hun huizen. Niet alleen weduwe en weduwnaar, maar ook veroordeeld tot gevangenschap in Niemandsland.

Annemarie

Lotgenoten

Elf weken, aanstaande zaterdag, 77 dagen, 1848 uren.

En vandaag, vrijdag 1 december, wordt onze dochter 32 jaar.

Frank zei soms dat hij het niet erg vond om dood te gaan, wel dat hij er geen getuige van zou zijn hoe onze kinderen zich verder zouden ontwikkelen.

Hij was zo blij dat Barbara en Merlijn mooie, evenwichtige en zelfstandige mensen zijn geworden, maar wat had hij ze graag verder gevolgd…

Ik herinner me hoe hij de navelstreng mocht doorknippen nadat Barbara geboren was. Ik herinner me zijn ogen, helder grijsblauw met zo’n zwart randje eromheen, zijn tranen van ontroering en hoe hij stond te hannesen met die schaar. Andere herinneringen buitelen door mijn hoofd.

Hoe Barbara, toen ze vijftien zou worden, wenste wakker te worden in ‘een kamer vol ballonnen’. En hoe wij dus ’s nachts urenlang ballonnen zaten op te blazen en die op onze tenen haar kamer in probeerden te krijgen, terwijl ze statisch waren en overal aan bleven hangen…… De lol die we toen hadden…

Hij zal er nu voor het allereerst niet meer bij zijn en dat is dus de eerste bizarre en verlaten mijlpaal van de vele die we de komende tijd zullen moeten overwinnen.

Elf weken, 77 dagen, 1848 uren… Het blijft voor mijn gevoel zowel gisteren gebeurd als jaren geleden. De pijn zwelt en de pijn krimpt en ik heb er niets over te zeggen. Wel heb ik het gevoel dat ik mij eerder nagenoeg voortdurend in het oog van de orkaan bevond en dat ik nu -soms- enige passen opzij kan zetten, waarbij ik de orkaan wel zie, hoor en voel donderen, maar niet meer onophoudelijk word meegesleurd. Maar hij kan elk ogenblik weer toeslaan en ik blijf op mijn hoede.

Wat mij momenteel voornamelijk door de dagen sleept, is het contact dat ik met andere leden van deze bizarre club van weduwnaars en weduwen deel. ‘Hoe kan dat jou nou troosten?”, vroeg iemand mij, ‘ Dat doet toch niets af aan je verdriet?’ Maar toch helpt het mij, omdat ik me realiseer hoeveel andere mensen ook met deze shit zitten.

Mensen die net als ik ’s avonds in hun bed stappen en misschien wel stilletjes hopen dat ze niet meer wakker zullen worden, omdat ze hun partner zo missen.

Mensen die net als ik nu en dan zomaar ergens op de grond in huis neerzinken omdat ze letterlijk niet meer weten hoe ze verder moeten gaan.

Mensen net als ik die het sterfbed van hun parter steeds weer herbeleven en overvallen worden door wanhopig en machteloos verdriet.

Nu en dan word ik dankzij en via mijn blog benaderd door lotgenoten. Met een enkeling heb ik nu regelmatig contact. We hebben aan een half woord genoeg: de pijn is universeel. Natuurlijk gaat de een er anders mee om dan de ander. Sommige achterblijvers zijn binnenvetters die niet willen zeuren en ‘gewoon doorgaan’. Er zijn ook mensen die de trossen losgooien en zichzelf verliezen.

Er zijn mensen -zoals ik- die het opschrijven en hopen dat de pijn vermindert ergens in de digitale nevelen, er zijn mensen die keihard gaan sporten, of schilderen, of die zich opsluiten in hun huis en er zijn mensen die voelen dat hun overleden partner nog ergens om hen heen zweeft en hen troost in hun eenzaamheid.

Maar de pijn van het verlies is volgens mij hetzelfde.

De eenzaamheid na vaak tientallen jaren samen zijn, van altijd met zijn tweeen tegen de wereld, in die veilige twee-eenheid die zo vertrouwd was. Alleen achterblijven in een huis vol herinneringen is een amputatie die door anderen misschien wel voor te stellen is, maar niet invoelbaar. Misschien is dat ook maar beter. Je weet pas wat het is als het je overkomt.

Voor mij is het contact met lotgenoten momenteel balsemend. Het maakt het niet goed, maar wel iets minder eenzaam. Ik hoop dat ik voor hen ook iets kan betekenen.

Daarom: zit je in hetzelfde schuitje? Heb je behoefte aan contact? Laat een berichtje achter en ik reageer.

Annemarie

Reddingslijn

Morgen tien weken. De zondagen zijn moeilijk, maar iedere dag heeft extra moeilijke uren. Globaal genomen tussen vijf en negen ’s avonds. Dus tussen 17.00 uur en 21.00 uur.

In een normaal gezin is dat meestal het spitsuur. Van borrelen, koken en eten, van ruimen en koffiedrinken en, -als kinderen nog jong zijn- het spul wassen en naar bed zien te krijgen. Daarna samen zitten en de dag doornemen.

Toen onze kinderen uit huis waren, rekten we het borrelen en samen zitten uit en kookten samen of om de beurt. Gewoonten slijten snel in. Tussen vijf en negen ’s avonds was de avond nog maagdelijk en vol van mogelijkheden. Gezellig. De drukte van de dag voorbij, en misschien was er wel iets op de tv dat ons allebei kon bekoren.

Nu ik alleen ben achtergebleven, merk ik dat ik de neiging krijg jonge mensen te waarschuwen tegen dat hele huisje-boompje-beestje-idee. Want wat betekent het in praktijk? Met een gezin is je leven gevuld, wat heet, overvol. Zo vol soms zelfs dat je er wel eens naar snakt om alleen te zijn. Maar dat gaat niet, denk je. Wat je nog niet weet, is dat aan die wens uiteindelijk dus wel voldaan wordt.

Dat is iets wat je je niet kunt voorstellen als je kinderen nog jong zijn. Je vormt een  onverbrekelijke eenheid met partner en kinderen en alles moet wijken voor deze mensen, die altijd voor gaan.

Dan vertrekken je kinderen. Ze nemen aanvankelijk nog kleine stapjes: een middagje bij een vriendje, een paar daagjes op schoolreisje. Een eerste liefde, schoolfeesten… afzetten tegen jou en au, dat doet pijn, ook al hoort het erbij.

Dan gaan ze definitief weg: studeren, op kamers, samenwonen. De een iets sneller dan de ander en de een gaat ook verder weg dan de andere. Als je mazzel hebt, blijf je vrienden. De gouden jaren samen met je partner mogen beginnen. Dat is even wennen, maar het is wel iets om naar uit te kijken. Eindelijk tijd voor elkaar en eindelijk die dingen doen die je altijd al eens samen had willen doen.

En dan pats.

Dan sta je er alleen voor.

De drukte van vijf tot negen zit op de een of andere manier nog in je systeem. Ik tracht mezelf aan te leren dat ik best om vijf uur kan eten, of om acht uur. Ik kan ook gewoon niet eten.Who cares? Ik kan de tv aanzetten om vier uur ’s middags. Geen haan die ernaar kraait. De vrijheid is overweldigend, maar ook angstwekkend.

Moet ik elke dag bij andere mensen gaan eten of steeds vrienden te eten vragen? Soms kan dat en dat is fijn, maar ik moet toch ook leren leven in mijn eentje. Kennelijk. Moet ik allerlei hobby’s gaan nemen om de tijd te doden tussen vijf en negen? Ik kijk tv met mijn bordje eten op schoot. Mijn kinderen zijn gelukkig trouwe bellers en ik ben altijd blij als ik hun stemmen hoor. Dat doodt de tijd tot zeven uur wel een beetje. Er zijn vriendinnen die het kennelijk voelen en die me bellen als ze zelf in hun pannen staan te roeren. Het wordt half acht. Dan wordt het echt moeilijk. Zelf durf ik niemand op te bellen in dit heilige avond-samenzijn-moment. Ik worstel de uren door en die duren ongekend lang.

Tegen bedtijd –  tussen tien uur ’s avonds en twee uur ’s nachts- is het leed enigszins geleden. Er zijn vrienden en vriendinnen die ook alleen zijn en als die bellen, zijn de late uren van de avonden gered.

Maar het feit ligt er: ik ben mijn maatje kwijt en moet leren mijn eigen beste maatje te worden. Pfff. Dat klinkt belachelijk en zo voelt het ook, maar ik vrees dat er niets anders op zit. Dingen doen en erop uit. Vrijwilligerswerk, mezelf weer nuttig maken. Na vier jaar mantelzorgen mijn zinnen weer verzetten. Een hobby vinden! (!) Geen tijd hebben om te merken hoe galmend leeg vooral de uren tussen vijf en negen kunnen zijn. Geen tijd hebben om de telefoon aan te nemen, laat staan om te wachten tot er iemand belt.

Ik vraag me in alle oprechtheid af hoe mensen die hun leven lang alleen gebleven zijn, dit doen. Misschien kan ik ergens een cursus volgen?

Annemarie

Twee maanden- negen weken

Hoe ik het doe,

weet ik niet.

Wakker worden, eten, lopen, stofzuigen, praten,

ik weet het niet.

Het lijkt zo zinloos,

ik voel me een lege huls

die maar voorthobbelt,

zonder richting, zonder doel.

Hoe ik het doe

en waarom?

Ik hoor mezelf lachen soms,

dichtbij het huilen.

Verhef ik je tot afgod?

Was je mijn ridder, mijn prins?

Ik tracht je te haten

-als ik je haat

of in elk geval niet

van je houd-

is de leegte misschien

minder erg.

Maar dan zie ik je ogen,

die lachrimpeltjes eromheen,

hoe je naar me kon kijken,

als ik op je schoot klom,

of je iets vertelde.

Hoe je kon zeggen

hoeveel je van me hield.

Je was mijn ridder, mijn prins,

mijn man, mijn stoere sterke,

ongenaakbare man,

niet kapot te krijgen,

jij niet.

Ik bekijk je foto’s,

gevangen in de kanker,

jou klap na klap,

weghappend.

De strijd in je gezicht met de medicatie,

je smalte, je kaalheid,

je opgeblazen hoofd,

je ogen.

Ik zoom in op je ogen

en ik zie dat ze het zeggen.

Dat je van me hield

en Frank, ik mis je zo.

Ik houd ook zoveel van jou.

Hoe moet ik het doen?

Annemarie

Weblog van Annemarie van Gelder