Laat de zorg voor wilde dieren niet aan schietgrage natuurbeschermers over!

Er wordt flink gesteggeld over de herzieningen in de nieuwe Natuurbeschermingswet, die onder meer plezierjagers flinke beperkingen op zou kunnen leggen. Jagers zijn druk bezig om onze volksvertegenwoordigers te paaien, om toch alsjeblieft hun dure hobby te mogen blijven uitoefenen.

Het is wonderlijk dat maar zo weinig mensen zich hier druk over maken, terwijl ruim 72% van de Nederlanders zegt tegen de jacht te zijn. Wilde dieren zijn van niemand, of juist van ons allemaal, maar op de een of andere manier laten we de ‘zorg’ bij een stel zelfbenoemde deskundigen –plezierjagers – die beweren dat het beter is om in groepen wilde dieren te snoeien alsof het planten zijn.

De meeste hondenbaasjes weten dat hun hond gevoelens heeft. De laatste jaren is wetenschappelijk vastgesteld dat honden geestelijk te vergelijken zijn met peuters van een jaar of twee. Hondeneigenaren die zoiets al vermoedden, reageren hooguit verbaasd omdat het door wetenschappers bewezen moet zijn voordat anderen het zien. Bijna dagelijks wordt van een diersoort zo aangetoond dat deze een vorm van (hoger) bewustzijn heeft (dan gedacht). Het zal niet lang meer duren of het staat vast dat ook dieren als herten, zwijnen en ganzen hun soorteigen emoties bezitten en dat ze lijden bij angst, verlating, partnersterfte of moederloosheid.

Moet daarop gewacht worden voordat al die mensen die zeggen tegen de jacht te zijn in actie komen? Doen we als onze volksvertegenwoordigers die hun rug niet recht houden onder de jagerslobby?

Waarom zijn we toch zo dubbelhartig? We schrijven onze huisdieren – terecht – gevoelens toe, maar ontkennen die bij de dieren die we willen opeten of niet kennen. Dan heet het ineens ‘de natuur’.  We omarmen de voordelen van wetenschappelijke kennis voor onszelf en ons lijfsbehoud,  maar blijven hangen in antieke inzichten over onze medeschepselen, de dieren, en laten zelfverklaarde ‘natuurkenners’  hun gang gaan met hun moordpartijen. De natuur doet het stukken beter zónder mensen. ‘Oplossingen’ die gebaseerd zijn op ‘doden’, zijn niet meer van deze tijd en bewijzen alleen maar dat het bestaan van gevoelens bij dieren ontkend wordt. Wie zich straks verbaast dat staatssecretaris Dijksma de jagers toch weer meer vrij spel geeft dan beloofd, moet de hand diep in eigen boezem steken.

 

Schiet mij maar dood

Twee jaar geleden overleed mijn moeder. Ze was 87 jaar en dementerend- na jarenlang strijden tegen TIA’s en een herseninfarct. Mijn vader volgde haar drie maanden later. Hij was 89 en ook al lang aan het tobben met zijn gezondheid, zoals met kanker, maar ook met klachten die misschien eerder serieus genomen –en verholpen- waren als hij jonger was geweest en de puf had gehad om ervoor te vechten. ‘Ouderdom’ was de vergaarbak voor veel ellende.

Hun laatste acht levensjaren waren zwaar voor hen – en voor mij. Ik was hun ‘mantelzorger’. Ik deed het met liefde, maar de keren dat ik na afloop van een bezoek aan hen jankend in mijn auto zat, zijn niet op de vingers van twee handen te tellen. Als de telefoon ging, op de meest ongelukkige tijdstippen, greep ik alweer naar mijn autosleutels. Het ergste was dat ik wist dat het alleen maar erger zou worden. En dat werd het. Hoe vaak ben ik met mijn vader en mijn moeder naar het ziekenhuis gegaan? Gebroken pols, gebroken heup, een scheur in het bekken, iets met de maag, iets met de blaas, iets met de darmen… Het was dweilen met de kraan open. Het aller-allerergste was toen mijn ouders na 64 jaar huwelijk snikkend uit elkaar gehaald werden en mijn moeder 25 kilometer verderop tussen dementerende oudjes terechtkwam. Groter treurnis heb ik niet gezien.

Ik moet mijn best doen om de mensen die mijn ouders waren in mijn herinnering terug te halen. Hun levenslust, leergierigheid, gevoel voor humor, kennis en levenswijsheid. Mijn geheugen wordt bezoedeld door het beeld van twee morsige, kromgegroeide, in hun broek plassende, niet meer begrijpende, niet meer in staat te lopen, dovige en bovenal doodongelukkige stumpers die hun dagen moesten uitzitten in een verzorgingstehuis.

Toen ik weer eens in overleg zat met de verzorgingstehuisarts en andere zorgverleners, vroeg ik mij hardop af wat dit alles ons nu leerde over de manier waarop wij zelf onze oude dag gaan regisseren. De arts, ook beginnend zestiger, zei dat ‘onze generatie het zover niet zal laten komen door wat wij met onze ouders meemaken’. Wij zijn de gezegende lichting die veel van onze ouders heel oud zien worden, iets wat onze ouders meestal zelf niet hebben meegemaakt. Zij wisten niet wat hen te wachten stond en hebben er waarschijnlijk nooit serieus (genoeg) over nagedacht. Dat was iets wat ooit wel kwam. Ik heb het gezien en ik weet dat ik het zo niet wil. Net als de dokter van het verzorgingstehuis die zijn brood verdient met de zorg voor ouden van dagen, die wil het ook niet.

Ik wil niet eindigen zoals mijn ouders, zeker niet voor onze kinderen. De verpleeghuisarts zei dat ‘onze generatie ervoor zal zorgen er tijdig uit te stappen.’ Los van het feit dat ik mij herinner dat ook mijn moeder ooit zoiets beweerde, maar er nooit werk van maakte, maak ik mij oprecht zorgen over de manier waarop wij er dan ‘uit kunnen stappen.’ Die pil van Drion is er nog steeds niet en zal er ook zo snel niet komen.  We zijn lid van de NVVE (Nederlandse Vereniging van Vrijwillige Euthanasie), maar je blijft met dat eeuwige dilemma zitten dat je de verantwoordelijkheid voor jouw dood in principe bij een ander moet leggen. En alleen artsen zijn gelegitimeerd  om je op een nette manier uit het leven te zetten.

En daar zit ‘m de crux. Want artsen zitten ethisch klem omdat ze de eed van Hippocrates hebben afgelegd, die kort samengevat inhoudt  dat ze leven beschermen en nooit opzettelijk iemand zullen laten sterven. Dus een arts opzadelen met jouw dood is de wereld op zijn kop. Ik zou trouwens zelf ook niet graag iemand actief helpen met sterven. Geen mens, geen dier. Maar als je, goed bij je verstand, tot de weloverwogen conclusie komt dat je wilt sterven, zit je pas goed in de problemen. Want dan gaat een stel mensen dat helemaal niet staat te springen om de verantwoordelijkheid van jouw dood op zich te nemen, onderzoeken of jouw wens wel ‘gerechtvaardigd’ is. Dat kan jaren duren, tenzij je een enkeltje Zwitserland neemt.

Het is lastig. Alleen de super-dapperen onder ons voegen de daad bij het woord en verlaten het feest op tijd. Als het lukt… want als het misgaat, zit je misschien nog jarenlang achter de begonia’s- zonder benen. Of je wordt dement en dan ……

Nu bedacht ik mij dat er misschien wel een oplossing is. We zouden het euthanaseren over moeten laten aan mensen die er geen problemen mee hebben. Die op rationele basis kunnen vaststellen of iemand zijn beste tijd gehad heeft of niet, net als bij dieren.  Deze mensen –jagers- hebben er zelden moeite mee een ander levend wezen te doden. Integendeel, ze zijn ervan overtuigd dat ze soorten daarmee gezond houden en waarschijnlijk vinden ze het zelfs wel fijn om vakkundig en snel een eind aan een aards bestaan te mogen maken. Ze beschouwen het in feite als een vorm van tuinieren: snoeien doet bloeien.

Het wordt jagers echter steeds moeilijker gemaakt om hun bezigheden uit te oefenen. Vanuit de maatschappij klinkt allengs meer protest op: zomaar weerloze dieren neerknallen, dat is toch wreed? Hebben die erom gevraagd? Daarbij, natuur is er steeds minder en het aantal wilde dieren in ons land neemt ook af.

Dus zou het een idee zijn om jagers om te scholen om het werk te doen dat artsen niet graag willen? Als ze zo behendig zijn met geweren, kunnen ze vast ook wel leren om medemensen die echt klaar zijn met hun leven op een andere manier –met een spuitje?- pijnloos en snel uit hun lijden te verlossen. Ze hebben dan toch het gevoel dat ze de natuur een handje helpen, ze hebben geen last van wroeging, het is –bijkomstigheid- prettig voor het wild dat dan met rust gelaten wordt en het is  goed voor de samenleving: Als je niet meer kunt en wilt leven, hoeft dat niet. Laat de jager dan maar komen.

‘Wat Gij niet wilt dat U geschiedt..’

Bij ons in de buurt is een baby’tje geboren. Op een boerderij. In de voortuin staat een grote roze namaakooievaar en voor het raam hangen roze slingers. Naast het huis staat een grote stal, waar je, als je goed kijkt, koeien kunt zien die over de rand trachten te kijken naar de trampoline en het zwembad voor de kinderen van de boer. Je ziet dat deze boerenfamilie gek is op haar kinderen. Links achter de boerderij is zelfs een paardenbak en regelmatig zie ik de oudere kinderen met vriendjes en vriendinnetjes op hun pony’s rondrijden. De pony’s zijn echt hun knuffeldieren; ze hebben mooie stalletjes en als de kinderen naar school zijn, staan ze in een lommerrijk grasveldje achter het huis. Ruimte genoeg. Een eind uit de buurt van de voordeur, onder een paar bomen, staan op een verder onbruikbaar stukje grond zes witte koepels met daarvoor een hekje. In die koepels zitten pasgeboren kalfjes, bijproduct van de melk die de boer produceert. De producenten van de melk, de moeders, komen hun hele korte leven de stal niet uit.

‘Daar heb je haar weer’, zullen sommige lezers denken. ‘De wereld staat in brand en zij begint weer over die dieren’. Een kennis van mij zei: “Maak je eens druk om Poetin.” Maar dat is het juist. Alles heeft met alles te maken. Poetin – en volkstammen met hem- is het resultaat van zijn opvoeding en zijn cultuur, van wat hij als ‘juist’ heeft meegekregen. En hoe kunnen mensen die het leven van andersoortige wezens niet respecteren, ooit het leven van hun eigen soort respecteren? Van mensen die hun eigen familieleden mishandelen, blijkt maar al te vaak dat er een verleden met het mishandelen van dieren bestaat. Natuurlijk is dat niet altijd zo, maar feit is wel dat mishandeling zelden op zich staat en vaak een dergelijke oorsprong heeft.

O, u vindt dat wij de koeien- en kippen en varkens en geiten – níét mishandelen? Hoe moeten we dat dan wel noemen? Dieren doorfokken naar afmetingen die voor onze apparatuur geschikt zijn, uiers zo groot maken dat we de poten ook moeten verhogen? Dieren hun leven lang opsluiten, hun jongen meteen na de geboorte weghalen en hun melk zelf gebruiken? De moederdieren ‘afvoeren’ zodra de melkproductie een tikje afneemt? De jonge dieren, zolang ze nog niets opbrengen, in veel te kleine ruimtes wegbergen, omdat we geen zin hebben om energie te stoppen in hun welbevinden? Ik noem het mishandeling, vrijheidsberoving, marteling. Maar veel mensen lijken dit gewoon te vinden. Of, ook een mooie: “O jakkes, dat wil ik allemaal niet weten, hoor!”

Wij mensen maken er een zootje van. De wereld zou zo leuk en mooi kunnen zijn. Maar oorlog en landjepik gaan onverdroten door en ‘per ongeluk’ worden nietsvermoedende medelanders uit de lucht geschoten. Het deugt niet. Aan geen kant.

Voor  slachtoffers van wreedheden houden we stille tochten: dit moet vandaag nog ophouden! Maar voor de slachtoffers van de economie en onze lekkere trek doen we niks. Aan de immer voortdurende mishandeling van miljoenen dieren doen we niets, net zo goed als we bijvoorbeeld ook niets doen voor de andere –indirecte- slachtoffers van deze mishandelingen. Want wat dacht u van al die mensen die met overgewicht tobben tengevolge van dit alles? Melk en melkproducten – schappen vol verschillende soorten lekkere toetjes, kaasjes en andere melkflauwekulproducten- zijn er medeschuldig aan dat zoveel mensen (sinds het begin van de melkgolf) tobben met overgewicht. Melk is een dikmaker! Vaak lijden deze mensen onder zware lichamelijke en psychische klachten en worden in het medische circuit van het kastje naar de muur gestuurd.  Voor hen ook geen stille tochten. We worden al 60 jaar overspoeld met het sprookje dat veel melk drinken goed zou zijn voor onze botten, maar allang is bekend dat dit gedaan is op basis van foutief wetenschappelijk onderzoek en aangespoord werd door de wens de portemonnees van zuivelboeren te spekken. Melk onttrekt juist kalk aan onze botten. Osteoporose (botontkalking) komt bijna nergens zoveel voor als bij ons. Tabaksfabrikanten worden nog wel eens aangeklaagd als rokers longkanker krijgen, maar melkfabrikanten wassen hun handen in onschuld. Het deugt niet.

Zelfs mensen die niets met dieren ‘hebben’, moeten toch inzien dat het hele bestaan op aarde onlosmakelijk met elkaar verbonden is. Alles beïnvloedt elkaar, niets staat op zich. ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Ook al is die ander ‘maar’ een dier. Wie eenmaal begint met mishandelen van wat voor leven dan ook, maakt een grote kans hiermee niet meer te kunnen stoppen. En we weten allemaal waar dat toe leidt.

Dilemma’s

Vegetariër, nagenoeg veganist, dierenvriend… ik ben het helemaal. Ik heb huisdieren die elders geen onderdak kregen, ‘raszuiverheid’ zegt me nog minder dan merkkleding, ik houd van dieren zoals ze zijn en dat is voldoende. Verder huldig ik het principe van ‘leven en laten leven’. Ik hoef dus niet naar verre landen om wilde dieren in hun eigen habitat met eigen ogen te aanschouwen: ik laat ze liever met rust en geef gul aan instanties die dat mogelijk maken.  So far, so good. Dat mijn medemensen dieren eten, vind ik moeilijk. Ik strijd tegen bio-industrie, jacht en grootschalige visserij. Dat dieren andere dieren eten, ligt ook gecompliceerd. Wij mensen zijn omnivoren – we kunnen vlees eten, maar we hoeven het niet om in leven te blijven. Wij kunnen kiezen. Roofdieren zoals leeuwen en tijgers zijn carnivoren en moeten vlees eten. Kiezen zit niet in hun programma. Als we leeuwen en tijgers redden, tekenen we het doodvonnis van vele runderen en andere dieren. Dilemma!

Van de Vogelbescherming heb ik begrepen dat (huis)katten de grootste bedreiging vormen voor vogels, buiten ons mensen, met onze bouwlust, auto’s en aantasting van natuur. Veel mensen die ik ken, hebben katten. Een klein aantal van hen houdt de katten binnen. Dat is zielig, maar wel heel wijs. Geen weldenkend mens prakkiseert erover een hond of een kind ’s ochtends de deur uit te zetten en ervan uit te gaan dat die ’s avonds wel weer terugkomt – of niet. Toch doen veel kattenbezitters in Nederland dat. Ik heb gehoord dat er iets van 10 miljoen katten rondsjouwen. Veel katten raken de weg kwijt, worden overreden of doodgeschoten (Ja, jagers schieten jaarlijks duizenden ‘verwilderde’ katten dood!) en ook in dat soort gevallen is het ongelooflijk hoe laconiek daarop door eigenaars vaak wordt gereageerd: ‘Ach, die redt zich wel, hij vangt een vogeltje of een muis.’ En in het volgend seizoen wordt een nieuw kitten in huis gehaald, want ze worden in bosjes aangeboden en wat zijn ze toch schattig als ze klein zijn.

Ook ik heb katten. Ik heb mijn leven met vele katten gedeeld. De meeste van hen zijn best oud geworden en goddank ben ik er nooit een kwijt geraakt. Ik ben gek op katten. Voor hen vind ik het belangrijk niet aan een weg te wonen en een flinke tuin te hebben. Mijn katten mogen van ’s ochtends tien tot s’ middags vijf uur ‘buiten spelen.’ Heb ik het goed voor elkaar, of niet? Maar ik heb momenteel twee ex-katers die een extreem groot jachtinstinct hebben. Of heb ik het eerder nooit gemerkt? Mijn witte Silver grijpt –en doodt- ALLES wat beweegt. We hebben een korte tijd in Frankrijk gewoond en hij pleegde een genocide op hagedisjes, op een zeer wrede manier overigens: pootje eraf en weglopen als ze niet meer –erg- bewegen. Nu terug in Nederland bood ik ze opnieuw een ruime tuin, na een korte periode in een huurhuis met een klein achterplaatsje. Wat waren ze braaf daar! Bazige buurkatten mepten ze over de schutting terug naar huis. Maar hier… in dit huis hebben vogelliefhebbers gewoond, duidelijk zonder katten.. In iedere boom hangt een vogelhuisje en er zijn legio struiken met bessen en verschillende voederplekjes. ‘Yeah’, riepen de katten. ‘Dat is nog eens gemakkelijk!’ Het eerste wat ik dus heb gedaan is prikkeldraad om die bomen wikkelen, zodat de katten er niet in kunnen klimmen. En ik heb de katten riempjes met belletjes omgedaan, zodat het lijkt alsof de Kerstman hier om het huis raast.

Nu, in de tijd van uitvliegende jonge vogeltjes, is het een drama. Vogeltjes komen uit die nesten en scharrelen de eerste dagen rond op de grond.  Ik tracht het allemaal in de gaten te houden en zodra ik oudervogels hoor kwetteren (die paniek is een heel specifiek geluid) stuur ik de honden erop af en dan geven de katten op. Ik heb al een paar vogeltjes weten te ontfutselen aan de bek van Peter, goddank leefden ze nog. Maar ik kan er niet meer tegen. Die oudervogels werken zo hard om die eitjes uit te broeden, al dat werk, al die stress. En dan zijn de humpies groot genoeg om te leren vliegen en dan komt daar een  van mijn weldoorvoede huisvrienden en slaat achteloos zijn poot uit… De katten in huis houden met die warmte en met drie honden is geen doen. Er is altijd wel een deur die opengaat.

‘Het is de natuur,’ vergoelijken mede-kattenbezitters dit gedrag. Maar dat is lulkoek. Van natuur is in ons land geen sprake meer. Ja, het is ‘hun’ natuur, hun instinct. Katten hoeven weinig te doen om te overleven. Als ze gesteriliseerd zijn –wat heel veel mensen niet laten doen!- dan hoeven ze ook niet achter de meiden aan, dus wat moeten ze dan? Ze eten hun bordje thuis leeg, geven een kopje aan hun mens en gaan op pad. ‘See you later!’ En daar verdwijnt zijn staart door het kattenluik. De schat.  Op weg om te moorden. Soms brengen ze mij een versgedode muis.

Ik vind opgesloten dieren zielig (zoals ik alles zielig vind: een voor zijn leven rennende spin, een vlieg die tegen het raam vliegt, een mier die zijn nest kwijt is, een in doodsnood verkerende langpootmug in een spinnenweb- ik moet altijd alles redden..) en ik was dan ook heel blij toen ik onze katten, na een lange periode in een aan huis gebouwde buitenren, in Frankrijk eindelijk ‘vrij’ kon laten. Maar wat ze aanrichten in hun vrijheid vind ik zieliger.

In onze huidige tuin staat een kippenhok, met daarbij een zeer ruime, enigszins vervallen kippenren. Kippen mogen we voorlopig, in verband met de chemo’s die mijn man gehad heeft, niet hebben. Het staat daar maar te staan. Overwoekerd met bramen en brandnetels… In de ren een oude, door het gaas heen gegroeide boom. Ik heb het ding onder handen genomen en leeg- en schoongemaakt. De gaten in het gaas heb ik hersteld. Een boomstam erin om nagels aan te scherpen en in te klimmen. Riant uitzicht rondom. En daar zitten mijn twee rovers nu overdag, in elk geval tot al het jonge vogelspul is uitgevlogen. Ze kijken mij een beetje verbolgen of misschien zelfs vals aan en lopen voor de deur heen en weer als opgesloten tijgers. Ik vind het erg vervelend voor ze.

Maar in de boom naast de kippenren zitten Pa en Ma Mus en Pa gaf me een knipoog en tsjilpte: ‘Bedankt!’

‘Gewone’ dingen

Wij togen verleden jaar  naar Frankrijk om daar een nieuw leven op te bouwen. We gaven ons comfortabele huis in Nederland op en trokken in -wat je op zijn best- een luxe schuur zou kunnen noemen. Maar wat een plek! Onaangetast! Met bijna tien hectare bos en wei, een meer en stilte, woeste en vooral niet gecultiveerde natuur, beestjes  die geluiden maken in de nacht, het was er allemaal. Hier zouden wij ons aards paradijsje maken, een energieneutraal huis. We hadden de tijd. Een deel van het huis is al goed te bewonen en de ervaring leert dat je met veel minder toe kunt dan je vaak denkt.

Dat ambtelijke kwesties in Frankrijk niet per se gemakkelijker gaan dan in Nederland, moge algemeen bekend zijn. Een aanvraag indienen voor wat dan ook, gaat echt niet per internet of per telefoon! Om van het verkrijgen dáárvan alleen al nog maar te zwijgen. Men moet zich aan een loket –liefst op ongeveer 60 kilometer  afstand- vervoegen, waar men een papiertje meekrijgt met enige krabbels die aangeven welke stappen genomen dienen te worden. We vonden het allemaal reuzeleuk, ook al gaf het dan oponthoud en ongemak. Alles moest opnieuw uitgevonden worden en maakte deel uit van het grote en spannende avontuur dat wij waren aangegaan.

Nog geen drie maanden nadat wij hiermee begonnen waren, werd Frank, mijn echtgenoot, ernstig ziek. Hij werd met acuut nierfalen opgenomen in het ziekenhuis, waar vastgesteld werd dat het om beenmergkanker ging. Zomaar, out of te the blue. Wat ons toen overkwam, was een rollercoaster van heftige gebeurtenissen. Veel verdriet, maar ook positieve energie in de vorm van vriendschap en hulp. We zijn met een klein deel van onze bezittingen terug naar Nederland gegaan, waar Frank een hele trits behandelingen onderging. Na een korte tijd in een huurhuis gezeten te hebben, kochten we een huisje waar mijn echtgenoot zou kunnen revalideren van zijn zware behandelingen.

Teruggaan naar Frankrijk was geen optie volgens de medici: ons Franse bezit ging dus al meteen in de verkoop. Dat ikzelf te zijner tijd terug moest naar Frankrijk, stond vast: vooral om onze spullen uit te zoeken en op te ruimen. Ik had gedacht dat ik met een familielid of een vriend zou moeten gaan. Maar twee weken geleden zijn Frank en ik samen per auto teruggekeerd.. en hij zat aan het stuur!  Hij is veel beter dan iemand ooit heeft durven hopen en samen proberen wij nu orde te scheppen in de chaos die wij achterlieten.

Hoe we het zouden vinden om hier weer te zijn, wisten we van te voren niet. Maar we werden allebei prompt weer verliefd op de plek, de natuur en de vele , vele (on)mogelijkheden die zich hier bevinden. Kunnen wij hier nog van maken wat we voor ogen hadden? Moeten wij dit echt van de hand doen? Franks ziekte is er zo een die niet verdwijnt, maar altijd weer terugkomt, na een jaar, twee jaar of vijf jaar. Niemand weet het.

Dus klussen we voor zover mogelijk en proberen niet teveel na te denken over  wat we zouden moeten doen. We dompelen ons  met welgevallen onder in het Franse –niet zo comfortabele- leven en pakken goedgemutst de zinloze strijd met de bureaucratie weer op. Internet en de telefoon deden het beide niet. Bellen met Nederlandse mobiele telefoons kan niet naar Orange, het bedrijf dat hier verantwoordelijk voor is. Klachten indienen kan alleen van het eigen IP adres via internet…  Als het niet werkt, is de leverancier dus vrijwel onbereikbaar. Ik heb bij iedereen die ik hier in de buurt ken, gebeld vanaf de vaste lijn en in gebrekkig  en vooral quasi verontwaardigd Frans mijn beklag gedaan… Het is dolkomisch – als je er geen slachtoffer van bent.

In arren moede en na het zoveelste telefoongesprek met de telefoon van vrienden heb ik gisteren een soort dongel opgehaald bij een winkel van Orange, hier pak ‘m beet zestig kilometer vandaan. Helaas werkt die niet binnen en zorgt alleen voor een zwak signaal op 30 meter afstand van het huis. Maar toch beter dan niks als je spullen via internet moet verkopen en stad en land moet benaderen om zaken in en om het huis in orde te krijgen..… Want de panne kon nog wel een maand duren.

En toen ineens zag ik lampjes flikkeren op onze ‘ Livebox’… Het zou toch niet?? Toen ging de telefoon… Een meneer van Orange meldde mij stralend dat hij omgevallen bomen had verwijderd hier vlak in de buurt en dat we nu waarschijnlijk wel weer internet en telefoon zouden hebben.. Even later stond hij half tandeloos te grijnzen op ons erf om zich persoonlijk te vergewissen van succes.

Dolblij zijn we! Niets is vanzelfsprekend en bijna alles is ingewikkeld, maar wat is de overwinning dan zoet.

Een jaar geleden togen Frank en ik naar Frankrijk, vol van plannen. Nu, een jaar en vele gebeurtenissen later, zijn we daar weer. De verwarring en de puinhopen zijn groot, maar Frank is heel ‘ gewoon’ bij me.  En  internet en telefoon doen het ook weer!  Wat kunnen  ‘gewone’ dingen je toch gelukkig maken!

Schaamte

15-5-2014

Ik eet geen vlees, want ik wil mijn medeschepselen niet opeten. Ik vind het zielig en als ik denk aan al die miljoenen dieren -die na een gevangenschap zonder voorafgaande misdaad op jonge leeftijd geslacht worden voor onze lekkere trek- huilt mijn hart van machteloze woede.
Er zijn veel argumenten om tegen de ‘vleesproductie’ te zijn, zoals de grootschalige lucht-en watervervuiling die het tot gevolg heeft, de roofbouw op grondstoffen en de risico’s op -ook voor mensen- besmettelijke ziekten, maar vóór alles is voor mij het lijden van dieren onacceptabel.
En lijden doen ze, door mijn eigen medemensen. Daarvoor schaam ik mij diep.

Ik tracht op alle mogelijke manieren te leven naar mijn overtuiging en geen enkel dier te kwetsen. Het is voor mij echter een extra kwelling om met deze overtuiging te moeten leven in een samenleving waar niet alleen volstrekt geen rekening gehouden wordt met de gevoelens van (consumptie-)dieren, maar ook niet met die van de mensen die wél om ze geven.

Samen eten met vleeseters is een beproeving; op hun borden liggen de restanten van weerloze dieren, waarin ze achteloos rondprikken. Dat ik dergelijke overblijfselen niet eet, wordt hoogstens gehonoreerd met een minachtend optrekken van een wenkbrauw, alsof ik degene ben die raar doet. Iedere keer als ik een vrachtwagen met koeien, kippen of varkens zie langs denderen, op weg naar een abattoir, ben ik de wanhoop weer nabij. Ik kan niets doen voor deze arme, arme dieren. Het breekt mijn hart. Er gaat geen dag voorbij of op televisie of radio en in kranten en tijdschriften wordt geadverteerd voor ‘vlees’. Iedere keer dat het woord vlees valt, hoor en lees ik ‘doodgemaakt dier’. Opnames van ‘malse biefstukken’ , krokant gebakken kipnuggets of sappige hamburgers zijn de tastbare bewijzen van verschrikkelijke moordpartijen en snijden mij telkens weer door mijn ziel.

Onmachtig moet ik toezien hoe in supermarkten ogenschijnlijke aardige mensen zonder nadenken pakken vol bebloede stukken dieren in hun boodschappenkarren gooien. Met tranen in mijn ogen zie ik hoe volwassenen hun kinderen vergiftigen met barbaars voorbeeldgedrag en dierlijke resten en melkproducten als ‘gezond’ of ‘nodig’ voor hen aanschaffen. Geen woord over het dierenleed, geen enkele vorm van compassie voor het feit dat jonge dieren bij hun moeders worden weggerukt, dat hun moedermelk wordt ingepikt en dat ze meedogenloos worden gedood. Geen woord over het verdriet dat wij deze moederdieren aandoen, de angst en de vreselijke pijn die deze dieren voelen als ze worden geslacht. Er wordt ‘oh’ en ‘ah’ geroepen als er lammetjes door de weiden huppelen, en ‘s avonds eet men lamsbout met knoflook.

De grote vleesetende massa wil niet beter weten en de niet dode-dieren eter moet het allemaal ook maar slikken – of wordt weggehoond. “Het is de natuur, dat wij vlees eten.“ Natuur? Laat me niet lachen. Een leeuw grijpt een dier, doodt het en eet het op, met huid en haar. Een leeuw is een vleeseter. Maar wij mensen moeten de gekste dingen doen met de dieren die wij –door anderen- laten doden om hun vlees überhaupt te kunnen opeten: heel veel kruiden en bakken, stoven en braden. Natuur? Raar dat zoiets nooit gezegd wordt als we met grote vliegtuigen op vakantie vertrekken, of met de auto naar een pretpark. Of ons te hoge cholesterolgehalte met medicijnen inperken. Dan is die ‘natuur’ van ons ver te zoeken.

Eerlijker zou het zijn als vleeseters toegeven dat ze gemakzuchtig zijn en liever niet willen nadenken, maar het is makkelijker om de vegetariërs een beetje te bespotten. Raar eigenlijk, dat we mensen die geloven in een of andere zelf verzonnen god met voorzichtige egards behandelen en zelfs bestraft worden als we ons schuldig maken aan godslastering. Ik heb niets verzonnen; ik maak van dieren geen mythische wezens en heb geen verlangen een altaar voor hen in te richten waar ik wierook kan branden en prevelementen mompelen.
Ik vraag alleen mededogen voor hun lijden en pleit voor hun leven. Het is geen geloof, het zijn feiten. Dieren leven, kennen vreugde, angst, pijn en eenzaamheid, net als mensen. Ik vraag respect voor hen en hun waardigheid. Het geeft geen pas hen te doden en ook niet hun ingewanden op tv, in bladen en kranten tentoon te spreiden. Dat is kwetsend voor hun nagedachtenis en ook voor al die mensen die, net als ik, hun leven willen verdedigen.

Het voortdurend geconfronteerd worden met vleesreclames en aanbiedingen van kiloknallers en bereidingswijzen op de tv van stukken dier kwetsen mij diep. Vlees is geen eetwaar, het zijn restanten van op wrede wijze vermoorde medeschepselen.

Moederdag

30-4-2014

Ik ben een moeder. Toen ik zwanger was, namen instinctieve oergevoelens bezit van mij en maakten mij sterker om het wezentje in mijn schoot te beschermen.  Toen mijn kinderen er waren, ontwikkelde ik de spreekwoordelijk extra oren en ogen en wist ik instinctief wanneer ik nodig was en wat ik moest doen. Niets ter wereld was zo belangrijk als mijn kinderen. Dat is de natuur, net als het op gang komen van moedermelk. Moederinstinct is aangeboren en universeel, niet alleen bij mensen, maar ook bij dieren. Ieder pasgeboren en jong dier weet zich veilig bij de eigen moeder. Het zijn de mooiste dingen die wij levende wezens in het moederschap delen: moedermelk, zorg, warmte en bescherming voor onze jongen.

Op Moederdag voor mensen misschien niet het eerste waar u aan denkt, maar op dit zelfde moment  leven duizenden moederdieren blijvend gescheiden van hun jongen – door onze schuld. Ooit gingen mensen namelijk geloven dat de moedermelk van andere levende wezens voor ons bestemd is.

We zouden naar de wapens grijpen als een vijandig volk onze baby’s zou stelen om hun moedermelk  in te kunnen pikken. Maar dat we datzelfde al jarenlang zelf doen bij andere levende wezens –zoals koeien- vindt iedereen normaal. Het is tegenwoordig zelfs zo dat kalfjes een ‘ bijproduct’ van de melk geworden zijn en dat hun moeders gemolken en gemolken worden zodat ze steeds meer

‘produceren’. En zodra ze iets minder ‘produceren’, gaan ze naar de slacht. Dan zijn ze zelf lichamelijk meestal nog niet eens volwassen en ze hebben niet alleen hun eigen baby’s nooit gezien, maar ook hun eigen moeders niet. Melk een natuurlijk product? De kalfjes wacht, als het stiertjes zijn, de slacht en de meisjes mogen op hun beurt de ‘productie’ in van melk,  waarvan in fabrieken een keur aan ongezonde en onnodige rommel gemaakt wordt, waar teveel mensen dankzij dure reclamecampagnes nog altijd abusievelijk van denken dat ze het nodig hebben.

Maar het zijn alleen de portemonnees van melkboeren en zuivelfabrikanten die het nodig hebben dat u melkproducten koopt. Wij mensen hebben geen zuivel van andere soorten nodig. Integendeel: we worden er voornamelijk dik van. Om nog maar te zwijgen over de milieuvervuilende en natuurverwoestende gevolgen van de grootschalige melkveehouderij.

Bent u moeder? Herkent u zich in universele moederliefde? Of bent u gewoon een dierenvriend(in)? Stop dan vandaag nog met het kopen van de melk voor baby’s van andere moeders.

 

Weblog van Annemarie van Gelder