ZOU HET HELPEN?

Vrijdag, 8 november- Een prachtige dag. De lucht was fris, de zon scheen, de natuur leek hersteld van de lange periode van droogte- het gras was groen, in de sloten en de poeltjes stond weer water, terwijl de herfst de blaadjes van de bomen liet dwarrelen. Het was stil. Ideaal weer voor een wandeling in het natuurgebied vlak bij mijn huis.

Na korte tijd zagen mijn vriend en ik iemand staan, een roerloze gestalte, op de hoek van een perceel bos. Het was een jager, zijn op het bos gerichte geweer weerkaatste een felle streep licht in de zon.

Op zo’n moment gebeurt er iets met mij, ik heb er geen zeggenschap over, lijkt het.

Ik werd kwaad en wanhopig tegelijk. Ik wilde huilen, op mijn knieën gaan, in een god geloven en hem aanroepen, allemaal om het te doen stoppen. Alles in mij schreeuwde “NEE!”

Een medemens dat op de hoek van een perceel bos staat met een geweer in de aanslag om een weerloos dier te gaan doden. Onze prachtige dag buiten was voor mij in elk geval kapot.

Mijn vriend had er niets over te zeggen- ik duwde de riem van de hond die ik vasthad in zijn handen en haastte mij met zwaaiende armen in de richting van de gestalte: “Hee!!” Mijn stem schalde over de velden: “Niet schieten! Je gaat niet schieten! Als je gaat schieten, dan schiet ik op jou!” (voor de goede orde- ik heb geen geweer en ik kan en wil ook niet schieten. Hooguit met een waterpistool.)

Ik bleef staan en maakte foto’s met mijn mobiel van de jager. Hij stond honderden meters verderop – ik kon niet eens zien of het een man of een vrouw was en mijn mobiel  maakt niet erg goede foto’s. Het was omdat ik IETS wilde doen in mijn wanhopige machteloosheid. Op datzelfde moment holden er vier reeën het bos uit en passeerden de jager. Hij deed niets. Op de een of andere manier had ik het gevoel dat het door mijn geblèr kwam dat hij er niet op schoot.

We konden niet verder lopen in zijn richting en de jager trok zich terug achter de bomen. Even later raceten de dieren voor ons langs- ze hadden een grote bocht gemaakt- in elk geval ver weg van de mannen met hun wapens.

Toen we het bos uitkwamen, was een ontmoeting met de jagers- want het waren er meer, en ze hadden ook nog twee honden bij zich- onvermijdelijk.

We praatten. Ik heb al eerder een emotionele confrontatie met ze gehad, kort na de dood van mijn echtgenoot twee jaar geleden en volgens hen had ik toen gedreigd hun hond dood te schieten. (Het idee! Ik!! Een hond doodschieten! Maar ik was toen wel erg geëmotioneerd. Dat geef ik toe).

Gesprekken met andersdenkenden zijn lastig. Een gedachtewisseling tussen mensen die voor of tegen de jacht zijn, is extra moeilijk.

Want het gaat niet alleen om een gedachte, het gaat ook om wat men met die gedachte doet. Dat is anders dan, laten we zeggen, een gesprek over geloven.

Geloven gebeurt in je hoofd. Maar een gesprek met iemand die vindt dat hij andere levende wezens mag doden, is buitengewoon lastig. Er zijn slachtoffers bij.  Zo’n jager heeft de wet aan zijn kant en er zijn mensen genoeg die vinden dat we ‘uit de natuur mogen oogsten’. Ook al gaat dat dan met bloedvergieten gepaard.

Wettelijk is het een gecompliceerd gedoetje. Want als ik een boom ‘oogst’ uit de natuur, krijg ik niet alleen een fikse boete, maar haal ik ook de woede van veel natuurliefhebbers op mijn nek. Een weerloos dier dat in die natuur leeft, doodmaken, is – op voorwaarde dat het binnen de restricties van de wet gebeurt- niet strafbaar.

Gevoelsmatig kan ik er niks mee. Van wie is natuur? Van wie zijn die dieren? Zijn die niet gewoon van zichzelf? Mogen wij doodmaken wat volgens ons schadelijk is voor weidevogels, gewassen, of voor onszelf? Hebben wij niet de morele verplichting op te komen voor wat weerloos is- vooral ten opzicht van onze eigen soort?

Damherten en reeën mogen worden doodgeschoten ‘omdat ze als ze tegen een auto oplopen grote ellende kunnen veroorzaken.’ (en ook, zoals een andere jager mij onlangs toevertrouwde, omdat hij soms erge trek heeft in reeënvlees…) Marterhonden, steenmarters en vooral vossen zijn helemaal het haasje, want als ik de jagers mag geloven zijn die ongeveer verantwoordelijk voor alle ellende op onze aardbol, beginnend bij de teloorgang van weidevogels.

“Ja, en natuurlijk is het laag gehouden waterpeil er debet aan, net als de vele chemische rotzooi die wij mensen op de velden spuiten- maar de vossen dragen ook echt wel hun steentje bij.”

Deze jagers waren -weer eens- op zoek naar een vos. Vandaag geen reeën op het menu.

Ze doken het bos aan de andere kant weer in.

Schijnbaar aardige mannen, vaders, echtgenoten, zoons. Leuke koppen, gehuld in stoere kleding. Maar bewapend met moordtuig. Op een mooie dag in de herfst op pad om de mensheid te redden van een vos.

“Ik zal mijn mening nooit veranderen,” zei een van hen bij ons afscheid, die vindt dat het ‘de natuur’ is om te jagen.

‘Ik zal mijn mening ook niet veranderen,” zei ik. “Ik vind het geen ‘natuur’ om met geweren en twee honden achter weerloze dieren aan te gaan, met zijn drieën. Altijd als ik jullie zie, zal ik schreeuwen en trachten het wild te waarschuwen voor jullie. Ik zal erover schrijven en blijven vertellen dat doodmaken nooit de oplossing is. Ik vind het oneerlijk en wreed. ”

Zou het helpen dat ik dit opgeschreven heb? Dat u of jij dit leest..?

En wat nu?

Annemarie van Gelder

 

 

Een gedachte over “ZOU HET HELPEN?”

  1. Goed, emotioneel en herkenbaar gereageerd, Annemarie. Met je stem en pen als wapen tegenover geweren leg je sowieso het loodje. Er valt niet tegen te praten. Gelukkig zag ik verleden week het witte damhert nog de weg oversteken. Voor jagers een makkelijke prooi. Mijn hart maakte een sprongetje.

Reacties zijn gesloten.